Antwerpen 11 april 2019

1. Marktpraktijken – eerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen – fout door wetsinbreuk – inbreuk op reglementaire bepaling – stakings- vordering – bevel tot aanbod tot contracteren – FRAND-voorwaarden – contractvrijheid
2. Mededinging – misbruik van machtspositie – verkoopsweigering – buitensporige prijs
3. Elektronische communicatie – liberalisering van de markt – televisie

Elke inbreuk op een wettelijke of reglementaire bepaling bij de uitoefening van een beroep maakt ook een schending uit van de oneerlijke marktpraktijken en is bijgevolg een fout in de zin van artikel VI.104 WER. Wanneer een beslissing van de Conferentie van Regulatoren voor de Elektronische Communicatiesector een kabeloperator met machtspositie beveelt om “met goede wil te onderhandelen” met alternatieve operatoren die verzoeken om een zender toe te voegen aan zijn platform, dan ligt een inbreuk op artikel VI.104 WER voor wanneer die kabeloperator de redelijke verzoeken van een alternatieve operator negeert, veinst dat hij die verzoeken niet begrijpt en dat hij bijkomende informatie nodig heeft, excessieve prijzen voorstelt en er door dralen en tijdrekken voor zorgt dat de alternatieve operator niet werkelijk kan concurreren. Die handelingen maken ook misbruik van machtspositie in de zin van artikel IV.2 WER uit.
De stakingsrechter gevat op grond van artikel XVII.1 WER kan bevelen om een partij een billijk, redelijk, loyaal, niet-discriminatoir en transparant (‘FRAND’) voorstel van voorwaarden te doen voor het sluiten van een overeenkomst over de verspreiding van tv-zenders van die partij over een kabelnetwerk. De contractvrijheid staat partijen enkel toe om te weigeren om een overeenkomst te sluiten voor zover er geen verplichting is om te contracteren op grond van het mededingingsrecht of een andere rechtsnorm.

Antwerpen 11 april 2019, NjW 2021, afl. 434, 21.

  23