GwH 17 oktober 2019, nr. 2019/141

Strafrecht – wet van 18 september 2017 – witwaspreventie – wet van 11 januari 1993 – Richtlijn nr. 2015/849/EG – discriminatie – gelijkheidsbeginsel – vrijheid van ondernemen – eigendomsrecht

Het Grondwettelijk Hof toetst artikel 67 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, de vrijheid van ondernemen en het eigendomsrecht. Artikel 67 van deze wet voorziet immers in een totaalverbod op de overdracht in contanten boven een bedrag van 3.000,- euro voor alle verrichtingen van professionele handelaars – een vergelijkbaar verbod was reeds opgenomen in de wet van 11 januari 1993 – maar verstrengt het oorspronkelijk verbod voor verrichtingen met betrekking tot oude metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen (goud, platina, zilver en palladium) be- vatten. Deze kunnen tussen handelaars immers niet meer cash verhandeld worden, en in de verhouding handelaar-consument is slechts een cashbetaling van 500,- euro toegelaten. Deze wijziging kwam er wegens het verhoogde risico op witwassen van geld en heling dat werd vastgesteld bij dergelijke goederen.
Het Hof oordeelt ten eerste dat de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie niet zijn geschonden aangezien het onderscheid op een objectief criterium berust, de wetgever een legitiem doel voor ogen heeft en de bepaling geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt.
Ten tweede stelt het Hof dat er eveneens geen afbreuk wordt gedaan aan de vrijheid van ondernemen, aangezien deze vrijheid niet absoluut is en het doel redelijk verantwoord is.
Tot slot is het Hof van mening dat ook het eigendomsrecht niet aangetast wordt, omdat de bestreden bepaling niet leidt tot een beroving van eigendom of een beperking van het vrije genot van die goederen. Het beroep wordt bijgevolg verworpen.

GwH 17 oktober 2019, nr. 2019/141, NjW 2020, afl. 427, 629.
  10