GwH 20 februari 2020, nr. 2020/30

Appartementsmede-eigendom – meerderheidsvereiste – afbraak of volledige heropbouw van het gebouw – afstand van privatieve kavel – gelijkheidsbeginsel – inmenging eigendomsrecht

De door de wet van 18 juni 2018 in artikel 577-7 § 1, 2°, h) BW ingevoerde versoepeling van de besluitvorming, waardoor de algemene vergadering in een appartementsgebouw met vier vijfde meerderheid kan beslissen over de afbraak of de volledige heropbouw van het gebouw om redenen van hygiëne of veiligheid of wanneer de kostprijs voor de aanpassing van het gebouw aan de wettelijke bepalingen buitensporig zou zijn, is een pertinente maatregel om te vermijden dat één of enkele mede-eigenaars bepaalde beslissingen kunnen blokkeren die noodzakelijk zijn om de hygiëne of veiligheid van het gebouw te waarborgen of om het gebouw aan de wettelijke bepalingen aan te passen.
De bepaling in datzelfde artikel dat een mede-eigenaar afstand kan doen van zijn kavel ten gunste van de andere mede-eigenaars indien de waarde ervan lager is dan het aandeel dat hij ten laste zou moeten nemen in de totale kostprijs van de werken, in voorkomend geval, tegen een in onderling akkoord of door de rechter vastgestelde compensatie, zorgt evenwel niet voor een billijk evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Om dat billijk evenwicht tot stand te brengen, moet de wetgever, gelet op de verregaande inmenging in het eigendomsrecht, in bijkomende waarborgen voorzien.
Vermits de bestreden bepaling een onlosmakelijk geheel uitmaakt, moet ze ook in haar geheel worden vernietigd.

GwH 20 februari 2020, nr. 2020/30, NjW 2020, afl. 426, 587.

  13