GwH 28 mei 2020, nr. 2020/77

Handelshuur – uitzetting in geval van vervreemding – uitzetting wegens weigering van huurhernieuwing – uitzettingsvergoeding – vorderingstermijn – gelijkheidsbeginsel

Een verschil in vervaltermijn voor het instellen van de rechtsvordering door de huurder, die voortijdig wordt uitgezet door de verkrijgende verhuurder, en de huurder, aan wie huurhernieuwing wordt geweigerd door de verhuurder, is niet redelijk verantwoord. Het leidt ertoe dat de verkrijgende verhuurder in een situatie van jarenlange onzekerheid kan terechtkomen, terwijl de verhuurder reeds na één jaar bevrijd is van een mogelijke rechtsvordering tot het betalen van een uitzettingsvergoeding.
Artikel 28 Handelshuurwet maakt geen onderscheid tussen rechtsvorderingen “tot betaling van de vergoeding wegens uitzetting”, naargelang zij resulteren uit een weigering tot huurhernieuwing door de verhuurder, dan wel uit een voortijdige opzegging door de verkrijgende verhuurder.

GwH 28 mei 2020, nr. 2020/77, NjW 2020, afl. 425, 548.

  89