GwH 24 oktober 2019, nr. 2019/159

Prejudiciële vraag – internering – art. 9 Interneringswet – wanbedrijf

Wegverkeerswet niet strafbaar met gevangenisstraf – aantasting of bedreiging fysieke of psychische integriteit – geestesstoornis – verblijf in gevangenis ingevolge internering – geen schending art. 10 en 11 Gw. Wie een wanbedrijf uit de Wegverkeerswet pleegt dat een aantasting of bedreiging van de fysieke of psychische integriteit van derden inhoudt en waarvoor de wet andere straffen dan een gevangenisstraf bepaalt, kan in beginsel niet in de gevangenis terechtkomen voor die feiten. Is de dader op het moment van de berechting echter geestesgestoord en bestaat het risico dat hij ingevolge die geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw feiten zal plegen die een aantasting of bedreiging van de fysieke of psychische integriteit inhouden, dan kan hij geïnterneerd worden en hierdoor wel (tijdelijk) in de gevangenis belanden. Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat dit geen schending is van artikels 10 en 11 Gw. Het verschil in behandeling berust immers op een objectief criterium, namelijk het bestaan van een geestesstoornis die een gevaar inhoudt voor de maatschappij en vastgesteld is in een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek. De internering doet hier niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokkene omdat volgens de Interneringswet een verblijf in de psychiatrische afdeling van de gevangenis slechts uitzonderlijk en voor korte tijd mogelijk is. Dat dit in de praktijk mogelijk anders is, kan niet worden verweten aan de wet, maar heeft betrekking op de uitvoering ervan, waarover het Grondwettelijk Hof zich niet mag uitspreken.

GwH 24 oktober 2019, nr. 2019/159, NjW 2020, afl. 425, 544.

  98