GwH 20 februari 2020, nr. 2020/28

Artikel 88quater Wetboek van Strafvordering – toegang tot informaticasysteem – ontsleutelplicht – gelijkheidsbeginsel – EVRM – nemo tenetur – non-incriminatiebeginsel – wilsonafhankelijk bewijs – recht op eerbiediging van het privéleven

Artikel 88quater Sv. voorziet in twee strafrechtelijk sanctioneerbare bevelen tot medewerking met betrekking tot informaticasystemen: een bevel tot het verstrekken van informatie over de werking van of toegang tot een informaticasysteem en een bevel om dat systeem zelf te bedienen. Het tweede bevel kan niet gericht worden aan de verdachte, het eerste wel. Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat dit verschil in behandeling niet strijdig is met artikels 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikels 6 en 8 EVRM. Het verschil steunt immers op een objectief criterium, namelijk de soort medewerking die vereist wordt: passief informatie geven tegenover actief meewerken. Het non-incriminatiebeginsel uit artikel 6 EVRM is niet van toepassing op bewijsmateriaal dat onafhankelijk van de wil bestaat, zoals documenten verkregen op basis van een dwangbevel, de resultaten van adem-, bloed- en urinetests en weefsel voor DNA-onderzoek. Voor zover de gevraagde informatie bij het bevel van artikel 88quater §1 Sv dan ook onafhankelijk van de wil bestaat, is nemo tenetur niet van toepassing. De actieve medewerking vereisen van de verdachte zou echter wel een schending van nemo tenetur uitmaken. Het verschil in behandeling is dus verantwoord. Gelet op de nood aan gepaste onderzoeksmaatregelen in het licht van technologische ontwikkelingen, die de informatieplicht verantwoordt, leidt de analyse in het licht van het recht op privacy uit artikel 22 Grondwet en artikel 8 EVRM niet tot een andere conclusie.

GwH 20 februari 2020, nr. 2020/28, NjW 2020, afl. 424, 497.

  42