GwH 17 oktober 2019, nr. 2019/138

Fiscaal recht – taks op de effectenrekeningen – principe en toepassingsmodaliteiten

Het Grondwettelijk Hof vernietigt de wet van 7 februari 2018 houdende de invoering van een taks of de effectenrekeningen. Op grond van deze wet werden natuurlijke personen onderworpen aan de taks wanneer zij in een zekere referentieperiode (steeds eindigend op 30 september) titularis waren van één of meerdere effectenrekeningen in België of het buitenland en wanneer hun aandeel in de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op die rekening(en) meer dan 500.000,- euro bedroeg. Het tarief van de taks bedroeg 0,15%. Het Grondwettelijk Hof vernietigt de wet omdat hij het gelijkheidsbeginsel op meerdere vlakken schendt. Vooreerst was er een niet redelijk verantwoord onderscheid gemaakt door bepaalde financiële instrumenten wel onder het toepassingsgebied van de wet te laten vallen, en andere niet (met name de afgeleide financiële instrumenten, zoals vastgoedcertificaten). Ten tweede was ook het onderscheid dat werd gemaakt door financiële instrumenten onder toepassingsgebied van de wet te laten vallen naargelang zij wel of niet op een effectenrekening stonden (bijv. de aandelen op naam), niet redelijk verantwoord. Tot slot was het zo dat wanneer een effectenrekening in onverdeeldheid werd aangehouden, elke onverdeelde mede- eigenaar werd verondersteld proportioneel eigenaar te zijn van deze rekening (waardoor hij ook in die mate werd belast), terwijl dit in werkelijkheid niet steeds zo hoeft te zijn. Ook deze beleidskeuze achtte het Grondwettelijk Hof niet redelijk verantwoord.

GwH 17 oktober 2019, nr. 2019/138, NjW 2020, afl. 417, 166.

  18