GwH 6 juni 2019, nr. 2019/92

Fiscaal recht – inkomstenbelastingen voor niet-inwoners – gemeentelijke opcentiemen ten behoeve van de federale staat – verantwoord wegens gebruik van door Belgische overheden verschafte installaties en diensten – verminderingen voor persoonsgebonden tegemoetkomingen – belastingvrije som – geprorateerde toekenning

Net als voor rijksinwoners, onderworpen aan de personenbelasting, wordt ook voor niet-rijksinwoners, onderworpen aan de belasting van niet-inwoners, de verschuldigde Belgische inkomstenbelasting verhoogd met opcentiemen. Voor rijksinwoners worden deze opcentiemen bepaald door de gemeente waarvan ze inwoner zijn en worden ze verantwoord door het genot van de gemeentelijke installaties waarvan de inwoner geniet. Ook nietrijksinwoners genieten van de door de Belgische overheden verschafte installaties en diensten. Deze bieden hen immers de mogelijkheid om de Belgische inkomsten te verwerven waarop de aan de Belgische Staat verschuldigde belasting van niet-inwoners wordt berekend. Uit hun aard kan dit evenwel moeilijker aan een specifieke gemeente worden toegewezen. Aldus draagt een niet-inwoner via de betaling van federale opcentiemen op evenredige wijze bij in de financiering van de opdrachten van algemeen belang. Artikel 245 WIB 1992 dat ook voor niet-inwoners de verschuldigde inkomstenbelasting verhoogt, doet bijgevolg geen onverantwoorde discriminatie ontstaan.
Rijksinwoners onderworpen aan de personenbelasting genieten op grond van artikel 131 WIB 1992 van een belastingvrije som, op grond waarvan een deel van de behaalde inkomsten niet wordt belast. Nietinwoners, die in België geen tehuis hebben gehouden, noch minstens 75% van hun beroepsinkomsten behalen, genieten dit voordeel niet. (Het arrest betreft aj 1992 en de aj 2001 tot 2009. De afwijking voor niet-inwoners met tehuis in België werd later afgeschaft.) Specifiek ten aanzien van inwoners uit Frankrijk wordt deze regeling evenwel aangepast door het dubbelbelastingsverdrag met Frankrijk. Zij genieten in België wel van persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de gezinstoestand of gezinslasten. Dit werd bij avenant van 8 februari 1999 beperkt a rato van de beroepsinkomsten uit België in verhouding tot hun totale beroepsinkomsten. De weigering van het voordeel van de belastingvrije som voor aj 1992, niettegenstaande de uitdrukkelijke voorziening in een verdrag, vormt aldus een onverantwoorde discriminatie, gelet op de verdragskeuze beide categorieën als gelijk te beschouwen. A priori bevinden niet-inwoners zich evenwel in een situatie die objectief verschillend is van die van rijksinwoners, wat het voordeel van de belastingvrije som betreft. De beperking van dit voordeel, bij avenant van 8 februari 1999, tot een pro-ratatoekenning, is bijgevolg niet discriminerend. Deze regeling is evenmin in strijd met de Europese reglementering inzake het vrij verkeer van werknemers.

GwH 6 juni 2019, nr. 2019/92, NjW 2020, afl. 414, 28.

  49