GwH 6 juni 2019, nr. 2019/96

Prejudiciële vraag – schending van art. 10-11 Gw. en art. 6.1 EVRM – wapengelijkheid en recht van verdediging – hoger beroep in strafzaken – bijkomende termijn van 10 dagen om volgberoep aan te tekenen

In dit prejudicieel arrest veroordeelt het Grondwettelijk Hof de bestaande situatie waarbij een beklaagde kan worden belemmerd in zijn recht van verdediging in het specifieke geval dat hij geen hoger beroep wenst aan te tekenen, maar dat het openbaar ministerie dit wel doet in de laatste dagen van de beroepstermijn. Door dit hoger beroep kan het parket de aanhangig gemaakte zaak beperken tot de eigen grieven zonder dat de beklaagde hiervan meteen op de hoogte wordt gebracht. Wanneer de beklaagde daarentegen hoger beroep aantekent, zal de griffie het parket steeds meteen verwittigen en voorziet de wet voor het parket in 10 bijkomende dagen om nog hoger beroep aan te tekenen.
De wetgever heeft volgens het Grondwettelijk Hof deze verschillende behandeling ingevoerd zonder enige verantwoording en het resultaat is een onevenredige beperking van het recht van verdediging van de beklaagde in strijd met het gelijkheidsbeginsel en artikel 6.1 EVRM.

GwH 6 juni 2019, nr. 2019/96, NjW 2019, afl. 411, 796.

  15