GwH 4 april 2019, nr. 2019/54

Strafprocesrecht – verjaring strafvordering – invoering langere verjaringstermijn – art. 68 wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij KB van 16 maart 1968 (wegverkeerswet) – art. 26 lid 1 jo. art. 25, 1° wet 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid – retroactieve inwerkingtreding – prejudiciële vraag – rechtszekerheid – schending art. 10 en 11 Gw.

Een wet die de verjaringstermijn van een strafvordering verlengt, is een procedurewet. Ze is in beginsel onmiddellijk van toepassing, ook op strafvorderingen ontstaan vóór de inwerkingtreding van die wet, voor zover zij op dat moment nog niet zijn verjaard op grond van de vroegere wetgeving. De onmiddellijke inwerkingtreding moet echter worden onderscheiden van een verlenging die met terugwerkende kracht wordt ingevoerd. Die laatste heeft immers tot gevolg dat strafvorderingen herleven die op grond van de vroegere wetgeving al definitief waren verjaard. Zo doet zij zonder redelijke verantwoording afbreuk aan de waarborg van rechtszekerheid die met de verjaring wordt beoogd en die in strafzaken inhoudt dat de dader van een misdrijf niet meer kan worden vervolgd of berecht na het verstrijken van een bepaalde termijn sinds de feiten.
Daarom schendt artikel 26 lid 1 van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, in samenhang gelezen met artikel 25, 1° van dezelfde wet, artikels 10 en 11 Gw. Die eerste bepalingen verlengen de verjaringstermijn voor inbreuken op de Wegverkeerswet immers van één naar twee jaar met terugwerkende kracht. De wijziging treedt volgens artikel 26 namelijk in werking op 15 februari 2018, terwijl de wet pas verscheen in het Belgisch Staatsblad op 15 maart 2018.

GwH 4 april 2019, nr. 2019/54, NjW 2019, afl. 410, 761.

  17