Antwerpen 28 mei 2019

Fiscaal recht – inkomstenbelastingen – voordelen van alle aard – forfaitaire waardering – tegenbewijs

In het kader van een rekening-courantovereenkomst leent een zaakvoerder van zijn BVBA tegen een jaarlijkse intrestvoet van 4,5%. De belastingadministratie belast de zaakvoerder wegens het verkrijgen van een voordeel van alle aard. Het toestaan van een lening tegen verminderde rentevoet wordt immers forfaitair gewaardeerd in artikel 18 §3 KB WIB middels een referentierentevoet, die voor aanslagjaar 2011 voor het toekennen van een niet-hypothecaire lening zonder vaste looptijd 9% bedraagt. De toegestane lening tegen 4,5% vormt aldus een voordeel, dat in hoofde van de zaakvoerder als belastbaar beroepsinkomen moet worden belast. Dit werd bevestigd door de rechtbank van eerste aanleg, waarna de zaakvoerder hoger beroep aantekent.
Voor het hof van beroep rijst de vraag naar de verdeling van de bewijslast en de draagwijdte van de forfaitaire waardering in artikel 18 KB WIB. De aangifte in de personenbelasting wordt vermoed juist te zijn, zodat de administratie de onjuistheid ervan moet aantonen. Hiervoor kan ze gebruik maken van vermoedens, zoals het verschil tussen de vermelde referentierentevoet en de in casu aangerekende rentevoet. De forfaitaire waarderingsregels zijn evenwel geen onweerlegbare vermoedens: belastingplichtigen mogen aantonen dat de werkelijke waarde van een voordeel lager ligt of zelfs geen voordeel werd verleend. In casu werd aangetoond dat de aangerekende rentevoet marktconform was en aldus een evenwaardige tegenprestatie vormt voor de verstrekte lening.

Antwerpen 28 mei 2019, NjW 2019, afl. 410, 764.

  19