HvJ 20 juni 2019, nr. C-404/18

Prejudiciële verwijzing – Richtlijn nr. 2006/54/EG – gelijke behandeling van mannen en vrouwen – toegang tot het arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden – afwijzing van een sollicitante wegens zwangerschap – ontslag van werknemer die ten gunste van die sollicitante is opgetreden – bescherming tegen represaillemaatregelen – Genderwet

In de zomer van 2015 solliciteerde Jamina Hakelbracht voor een job als verkoopster bij een door WTG Retail geëxploiteerde kledingwinkel. Zij werd niet aangenomen omdat zij op dat ogenblik zwanger was. Tine Vandenbon, de storemanager, liet aan WTG weten dat deze beslissing discriminatoir was en verboden bij wet. Op het moment dat Hakelbracht een klacht indient bij het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, wordt Vandenbon zelf ontslagen. Zij oordeelt dat haar ontslag te maken heeft met de zaak Hakelbracht. Voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen beroept Vandenbon zich op de bescherming tegen represaillemaatregelen zoals gewaarborgd in artikel 22 § 9 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen (Genderwet). De rechter stelt echter vast dat niet is voldaan aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden. Er is immers enkel voorzien in bescherming voor personen die optreden als officiële getuige in een procedure naar aanleiding van een klacht wegens discriminatie. Omdat er twijfel rijst of deze voorwaarde in overeenstemming is met Richtlijn nr. 2006/54 inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep, stelt de arbeidsrechter een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU. In het weergegeven arrest antwoordt het Hof dat de Genderwet veel strenger is dan Richtlijn nr. 2006/54. Deze laatste vereist immers dat alle werknemers worden beschermd, los van de vraag of hun steun aan een gediscrimineerde werknemer formeel dan wel informeel was. In dit opzicht schendt de Genderwet dus het EU-recht.

HvJ 20 juni 2019, nr. C-404/18, NjW 2019, afl. 408, 647.

  18