Corr. Brussel (Nl.) 10 mei 2019

Terrorisme – veroordeling – vrijspraak – deelname aan de activiteiten van een terroristische groepering – leiderschap van een terroristische groepering – overschrijden redelijke termijn – verhoor zonder advocaat – werking van de Strafwet in de tijd – artikel 140 Sw. – artikel 139 Sw.

Deelname aan de activiteiten van een terroristische groepering (art. 140 § 1 Sw.) is een voortdurend misdrijf. Wanneer een voortdurend misdrijf is begonnen onder de gelding van één wet en wordt voortgezet onder een nieuwe wet die strenger is dan de vorige, is die nieuwe strengere strafwet toepasselijk, wanneer alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf aanwezig zijn op het ogenblik dat de nieuwe wet van kracht wordt.
De aanhangers van het al-Nusrah Front, ISIS, ISIL en IS plegen gijzelingen en zelfmoordaanslagen met als doel de basisstructuren van provincies in Syrië en Irak te ontwrichten en met als doel het destabiliseren en het toebrengen van ernstige schade aan derde landen. Er is een duidelijke structuur aanwezig en de leden zijn in staat om relatief snel, in onderling overleg, over te gaan tot het plegen van terreurdaden. Het zijn gestructureerde verenigingen van meer dan twee personen die zich wereldwijd schuldig maken aan het plegen van diverse terroristische misdrijven. Zowel het al-Nusrah Front, ISIS, ISIL en IS beantwoorden dus aan het begrip ‘terroristische groepering’ in de zin van artikel 139 Sw.
Het materieel bestanddeel van artikel 140 § 1 Sw. houdt een deelname in aan een activiteit van de terroristische groep. De vorm die die bijdrage aanneemt (het occasioneel of systematisch karakter) is irrelevant en de bijdrage moet niet rechtstreeks gelinkt zijn aan het voltrekken van een misdrijf. Voor deze strafbaarstelling is niet vereist dat de betrokkene ook deelneemt aan het plegen van een misdaad of wanbedrijf door de terroristische groep. De deelname kan ver verwijderd zijn van de desbetreffende misdrijven.
Wanneer de politiediensten tot tweemaal toe contact opgenomen hebben met de permanentiedienst Salduz, maar er geen advocaat beschikbaar was, zij de beklaagde in kennis hebben gesteld van de problematiek, hem nogmaals zijn rechten hebben meegedeeld en pas 3,5 uur na het eerste contact met de permanentiedienst overgegaan zijn tot het verhoor, hebben zij alle mogelijke stappen ondernomen voor de toewijzing van een advocaat. Hieruit vloeit voort dat zij onmogelijk aan de verplichting konden voldoen om een verhoor af te nemen met bijstand van een advocaat. Dat geen advocaat kon worden toegewezen is een onvoorziene omstandigheid die rechtvaardigt dat werd afgeweken van het recht op bijstand van een advocaat. De politiediensten waren niet verplicht om tijdens het verhoor opnieuw contact op te nemen met de permanentiedienst Salduz.

Corr. Brussel (Nl.) 10 mei 2019, NjW 2019, afl. 408, 663.

  11