Antwerpen 29 april 2019

Dieren – omgangsrecht – recht op contact – vermogen – eigendomsrecht – quasi-goed

Het loutere feit dat dieren werden aangekocht tijdens de relatie en ook deel uitmaakten van het feitelijk gezin dat partijen vormden, verschaft aan de gewezen samenlevers rechten ‘op’ deze dieren, na afloop van de relatie, los van enig eigendomsrecht. De vordering tot het verkrijgen van een omgangsrecht met een huis- of gezelschapsdier valt niet tot een louter vermogensrechtelijk aspect te reduceren en veronderstelt niet noodzakelijk een eigendomsrecht op deze dieren. Anders oordelen zou dieren herleiden tot loutere (gebruiks) voorwerpen of consumptiegoederen, waar dit vandaag de dag niet meer te verantwoorden valt en zelfs juridisch niet langer loepzuiver te noemen valt: ook dieren zijn anno 2019 dragers van bepaalde rechten. In die optiek kwalificeert een dier veeleer als een quasi-goed waarop het zakenrecht niet onverkort van toepassing is.

Antwerpen 29 april 2019, NjW 2019, afl. 408, 659.

  31