Antwerpen 21 februari 2018

Onteigening – machtiging – wettigheid – herzieningsprocedure – grondinname – te grote grondinname – waardevermindering – motivering – hoogdringendheid

Dit arrest volgt ten gronde het vonnis in herziening van de rechtbank van eerste aanleg in een geschil tussen private personen (appellanten) en een gemeente met betrekking tot onteigeningen voor een herinrichting van een kruispunt met aanleg van een rotonde en fietspad. De onteigenden werpen de onwettigheid van de onteigening op omwille van een te grote grondinname dan waarvoor de onteigenaar is gemachtigd. Zij vorderen minstens het recht op een grotere onteigeningsvergoeding omwille van die te grote grondinname en omwille van de vermeende waardevermindering van hun perceel door het zicht op en gebruik van de rotonde.
Het hof meent dat een grotere grondinname niet van die aard is dat het de onteigening onwettig maakt of de regelmatigheid van de onteigeningsprocedure aantast. De grotere grondinname zou evenmin aanleiding kunnen geven tot herziening van de voorlopige onteigeningsvergoedingen. Volgens het hof moet in de plaats hiervan een eigendomsvordering voor de bevoegde rechter worden gebracht om een einde te maken aan de vermeende onrechtmatige toestand of moet een schadevergoeding (en dus geen onteigeningsvergoeding) worden gevorderd. Ook de vermeende waardevermindering van het perceel kan volgens het hof geen aanleiding geven tot een grotere onteigeningsvergoeding. De onteigenden steunen de waardevermindering immers op elementen die betrekking hebben op de bestemming van het onteigende goed en niet op elementen die betrekking hebben op de onteigening zelf.

Antwerpen 21 februari 2018, NjW 2019, afl. 408, 656.

  19