Antwerpen 21 januari 2019

Onteigeningsvergoeding – illegale staatssteun – prejudiciële vragen – geschiktheidswaarde – gelegenheidswaarde – nabijheidswaarde – deskundigenonderzoek – schadeposten – ligging

De prejudiciële vragen opgeworpen voor het hof van beroep te Antwerpen over de door de onteigende vermeende onwettigheid van de onteigening wegens illegale staatssteun doordat de onteigening zou gegrond zijn op artikel 30 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie met het doel de onteigende goederen door te verkopen aan bevoorrechte eigenaars, worden niet aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorgelegd. De betreffende bepaling is immers al opgeheven en de onteigening steunde in werkelijkheid op het Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan. Bovendien kon zelfs in het geval van een onrechtmatigheid, de geïntimeerde hieruit geen rechten putten, daar de strijdigheid van de voortverkoop onder de marktwaarde had toegekomen aan de onteigenaar.
Bij de beoordeling van de schadeposten inzake de onteigeningsvergoeding, ziet het hof geen reden om het advies van de gerechtsdeskundige niet te volgen. Door geen van de partijen werden immers stukken of argumenten aangebracht die van aard zijn afbreuk te doen aan de inhoud van dat advies. De onteigende meent recht te hebben op een geschiktheidswaarde gelijk aan 10% van de vergoeding voor de grond, gebouwen en marktaanpassing. Het hof kent een billijke geschiktheidswaarde toe omwille van het feit dat de onteigende woning gelegen was in de nabijheid van zijn werk.

Antwerpen 21 januari 2019, NjW 2019, afl. 405, ***.

  6