Antwerpen 12 september 2018

Burgerlijk recht – strafrecht – internering – gebrek aan behandeling – vordering schadevergoeding tegen Belgische staat – verjaring burgerlijke vordering – art. 2252 BW – onbekwaamverklaring – Grondwettelijk Hof 26 april 2018, nr. 2018/50

De verzoeker in deze zaak stelde een vordering tot schadevergoeding in tegen de Belgische staat omdat hij als geïnterneerde in de gevangenis geen aangepaste therapeutische behandeling had gekregen. Zowel de rechtbank van eerste aanleg als het hof van beroep oordeelt dat een deel van de vordering al verjaard is. In navolging van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 26 april 2018 (nr. 2018/50), verklaart het hof van beroep dat de schorsingsgrond uit artikel 2252 Burgerlijk Wetboek (in de versie van vóór de wijziging door de wet van 17 maart 2013) niet noodzakelijk geldt voor een geïnterneerde. Een geïnterneerde is wel strafrechtelijk schuldonbekwaam, maar blijft in beginsel burgerrechtelijk handelingsbekwaam. Enkel wanneer hij ook volgens het burgerlijk recht onbekwaam is verklaard, valt hij onder deze schorsingsgrond.
Het overige deel van de vordering van de verzoeker werd in billijkheid en redelijkheid begroot door de rechtbank van eerste aanleg. Het hof van beroep past wel de rechtsplegingsvergoeding aan die de verzoeker in eerste aanleg had moeten krijgen.

Antwerpen 12 september 2018, NjW 2019, afl. 405, ***.

  8