Antwerpen 23 april 2018

Borg – bepaalde duur – duurtijd hoofdovereenkomst – geen opzegging – art. 2015 BW – strikte interpretatie – oorzaak borgstellingsverbintenis

De borgtocht is per definitie een bijkomende overeenkomst, ondergeschikt aan en afhankelijk van de hoofdovereenkomst waarvan hij de nakoming garandeert.
Overeenkomstig artikel 2015 BW mag men een borgtocht niet verder uitstrekken dan de perken waarbinnen hij is aangegaan.
Behoudens wanneer in de borgstellingsovereenkomst uitdrukkelijk een kortere duur werd bepaald, dekken de verplichtingen van de borg de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst en dit voor de daarin opgenomen duurtijd. De verplichtingen van de borg blijven zodoende beperkt tot de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst waarvoor zij aangegaan zijn, in overeenstemming met artikel 2015 BW.
Overeenkomst artikel 1740 BW strekken de verplichtingen van de borgtocht zich niet uit tot de verplichtingen die uit de wederinhuring ontstaan.
Bij hernieuwing van de handelshuurovereenkomst ontstaat een nieuwe huurovereenkomst, waarvan de borgtocht, behoudens uitdrukkelijke overeenkomst tussen de partijen en de borgsteller, geen deel uitmaakt. De eertijds verstrekte borgtocht kan alsdan niet meer worden aangesproken voor de nakoming van verbintenissen van de huurder na het verstrijken van de initiële duur van de huurovereenkomst.
De oorzaak van de aangegane borgstellingsverbintenissen betrof in casu niet de hoedanigheid van zaakvoerder, maar wel het gegeven dat er bijkomende waarborgen werden verstrekt ter nakoming van de hoofdverbintenis.

Antwerpen 23 april 2018, NjW 2019, afl. 404, 476.

  4