GwH 14 maart 2019, nr. 2019/44

Artikel 46bis/1 Sv. – actieve meldplicht – beroepsgeheim – gedeeltelijke vernietiging – legaliteitsbeginsel – passieve informatieplicht – rechtvaardigingsgrond – strafprocesrecht – socialezekerheidsinstellingen – terrorisme

Artikel 46bis/1 § 3 Sv. schendt het legaliteitsbeginsel en wordt vernietigd. Een personeelslid van een socialezekerheidsinstelling zou een misdrijf plegen (art. 458 Sw.) door informatie te onthullen die hij onterecht als “ernstige aanwijzingen […] van een terroristisch misdrijf bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek” beschouwt. Dit vereist een beoordeling van een complexe situatie. Personeelsleden van socialezekerheidsinstellingen beschikken noch over de deskundigheid, noch over de noodzakelijke middelen om dat te doen. Er kan van hen dus niet worden verwacht dat zij zich ervan vergewissen of een derde daadwerkelijk de intentie heeft om een terroristisch misdrijf te plegen. Bijgevolg kunnen zij niet voldoende voorzien of ze een strafrechtelijk misdrijf plegen door over die derde informatie te onthullen die door het beroepsgeheim is gedekt. De formulering “informaties die ernstige aanwijzingen kunnen uitmaken van een terroristisch misdrijf bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek” in artikel 46bis/1 § 3 Sv. is te vaag en dus een bron van rechtsonzekerheid.
Artikel 46bis/1 § 1 en 2 Sv. schenden het legaliteitsbeginsel niet. De bewoordingen “[door de procureur des Konings noodzakelijk geachte] administratieve inlichtingen” hebben betrekking op de administratieve situatie van de persoon over wie de inlichtingen worden gevorderd en niet op alle gegevens die in het bezit zijn van de administratie. De in artikel 46bis/1 § 2 lid 2 vermelde term ‘maatregel’ verwijst ontegenzeglijk naar de in § 1 beoogde vordering tot inlichtingen. De bewoordingen van artikel 46bis/1 § 1 en 2 Sv. maken het mogelijk zowel de eventuele plegers van het misdrijf dat erin bestaat te weigeren om aan het parket de gevorderde inlichtingen mede te delen, als de personen die aan de vordering gevolg moeten geven, te identificeren.
Artikel 46bis/1 § 1 en 2 Sv. schenden het recht op privéleven niet. De wettelijke bepaling is voldoende precies, de doelstelling van terrorismebestrijding is onbetwistbaar in overeenstemming met een dwingende maatschappelijke behoefte en de maatregel is redelijkerwijs evenredig met die doelstelling.
Artikel 46bis/1 § 1 en 2 Sv. schenden het gelijkheidsbeginsel niet. Wegens het grote aantal aan het beroepsgeheim onderworpen beroepen en de eigen specifieke kenmerken ervan en de dwingende noodzaak de informatiedoorstroming inzake terrorismebestrijding snel te verbeteren, kon de wetgever het toepassingsgebied van de bestreden wet tot de socialezekerheidsinstellingen beperken zonder het onmiddellijk uit te breiden tot alle personen die houder zijn van een beroepsgeheim.
Artikel 46bis/1 § 1 en 2 Sv. bevatten geen bepaling die het niveau van bescherming van de personen die een beroep doen op de sociale zekerheid of op de sociale bijstand vermindert en schenden dus het recht op een menswaardig bestaan niet.

GwH 14 maart 2019, nr. 2019/44, NjW 2019, afl. 402, 383.

  14