Antwerpen 14 juni 2018

Kosteloze borg – verschoonbaarheid/ kwijtschelding hoofdschuldenaar – oud art. 82 Faill.W. – art. XX.176 WER – oud art. 72bis Faill.W. – art. XX.176 WER – wanverhouding – geen verwittiging door curator via aangetekende brief – beroepsaansprakelijkheid curator – art. 1382 BW – verlies van een kans

De vroegere verschoonbaarverklaring van de hoofdschuldenaar had niet het tenietgaan van de hoofdschuld tot gevolg. De kwijtschelding strekt evenmin tot voordeel van de medeschuldenaars en de stellers van persoonlijke zekerheden.
Om te kunnen genieten van bevrijding, moesten de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde ter griffie van de vroegere rechtbank van koophandel een verklaring neerleggen, waarin zij bevestigden dat hun verbintenis niet in verhouding met hun inkomsten en hun patrimonium is. Hiertoe moesten de personen verwittigd worden via een aangetekende brief tegen ontvangstmelding die de curators hen stuurden zodra deze personen bekend waren. Door geen aangetekende brief te versturen aan de kosteloze borgen, waarvan hij wist dat deze zich persoonlijk zeker hadden gesteld voor de verplichtingen van de gefailleerde en die dus mogelijk in aanmerking kwamen om te worden bevrijd, pleegde de curator een inbreuk op artikel 72bis Faill.W., wat een fout uitmaakte in de zin van artikel 1382 BW.
Door het verzuim van de curator om de juiste kennisgeving te versturen, werd aan de kosteloze borgen de kans ontnomen om de verklaring van kosteloze borgsteller in te dienen en aldus tijdig hun bevrijding te vragen.
Niet aangetoond is evenwel dat zij zonder het verzuim van de curator tijdig hun verklaring zouden hebben ingediend. Evenmin staat vast dat zij door de rechtbank volledig zouden zijn bevrijd van hun verplichtingen uit hoofde van hun borgstelling.
Zodoende wordt niet bewezen dat de door hen geleden schade bestaat uit het door hen aan de bank te betalen bedrag.
Dat de kosteloze borgen schade hebben geleden door de nalatigheid van de curator is aangetoond, maar de door deze fout veroorzaakte schade bestaat in het verlies van een kans.
Deze schade staat in oorzakelijk verband met de nalatigheid van de curator, gezien zij zonder deze fout de kans hadden gehad om tijdig hun bevrijding te vragen.
De economische waarde van het verlies van de kans om bevrijd te worden wordt begroot op ongeveer 70% van het bedrag dat de borgstellers aan de bank verschuldigd zijn.
Hierbij wordt rekening gehouden met de grote waarschijnlijkheid dat zij hun bevrijding tijdig zouden hebben gevraagd, de gegevens betreffende het kosteloos karakter van de borgstelling en de informatie betreffende hun inkomsten en vermogen.

Antwerpen 14 juni 2018, NjW 2019, afl. 400, 298.

  15