GwH 6 december 2018, nr. 2018/174

Strafvordering – wet van 25 december 2016 – digitaal speurwerk – bijzondere opsporingsmethoden – informaticazoeking – art. 39bis Sv. – netwerkzoeking – art. 88ter Sv. – verantwoordelijke van het informaticasysteem – infiltratie op het internet – art. 46sexies Sv. – openlijke v. heimelijke zoekingen – recht op privéleven – art. 8 EVRM – art. 22 Gw. – bevoegdheid onderzoeksrechter v. openbaar ministerie – bescherming beroepsgeheim advocaten en artsen – ongelijke behandeling – art. 10 en 11 Gw.

Een onderzoeksmaatregel die het mogelijk maakt toegang te hebben tot alle gegevens en communicatie die zich op de netwerken bevinden verbonden met een informaticasysteem van een individu, is een inmenging in het privéleven die vergelijkbaar is met een huiszoeking of het onderscheppen van telefoongesprekken of briefwisseling. Het al dan niet heimelijke karakter van de zoeking is niet relevant. Voor de uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem naar andere netwerken moeten dezelfde voorwaarden gelden als voor de huiszoeking, het kennisnemen van de inhoud van inbeslaggenomen post en de onderzoeksdaad in artikel 90ter Sv. Het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 39bis § 3 Sv. en handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot op de dag van publicatie van het arrest in het Belgische Staatsblad (B.17).
Het beroepsgeheim van advocaten en artsen moet het recht op privéleven van diegene die hen in vertrouwen neemt, beschermen. Het is niet verantwoord dat het beroepsgeheim van artsen en advocaten enkel wordt beschermd bij een heimelijke zoeking in een informaticasysteem dat zij beroepsmatig gebruiken. De inmenging in het recht op privéleven van cliënten/patiënten gebeurt immers ongeacht of de zoeking met of zonder medeweten van de advocaat of arts gebeurt. Het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 39bis Sv. voor zover het niet voorziet in een bescherming van het beroepsgeheim van artsen en advocaten (B.26).
Het begrip ‘verantwoordelijke van het informaticasysteem’ moet worden begrepen als de personen die verantwoordelijk zijn voor de gegevens of communicatie opgeslagen op het toestel dat in beslag is of kan worden genomen en voor de gegevens of communicatie waarvan kennis kan worden genomen via de netwerken die worden beoogd door de uitbreiding van de zoeking in dat toestel. Die personen zijn niet noodzakelijk de eigenaar of de houder van het toestel. Ook de verdachte wiens gegevens het voorwerp uitmaken van de zoeking, valt hieronder, zelfs wanneer hij niet de effectieve controle heeft over het informaticasysteem (B.15.2 en B.22.2). In die interpretatie is het begrip conform het legaliteitsbeginsel volgens het Grondwettelijk Hof.

GwH 6 december 2018, nr. 2018/174, NjW 2019, afl. 398, 201.

  5