HvJ 30 januari 2018, nr. C-360/15 en C-31/16

Europese dienstenrichtlijn – detailhandel – ruimtelijk bestemmingsplan

De Nederlandse Raad van State had op 13 januari 2016 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om de verenigbaarheid van een ruimtelijk bestemmingsplan van de gemeente Appingedam met de Europese Dienstenrichtlijn nr. 2006/123/EG te laten nagaan. In het bestemmingsplan werden bepaalde gronden voorbehouden voor omvangrijke detailhandel, en werd bijvoorbeeld de vestiging van een schoen- en kledingwinkel uitgesloten. Hiertegen was een beroep ingesteld door een vastgoedonderneming en werd de strijdigheid van de stedenbouwkundige voorschriften met de Dienstenrichtlijn ingeroepen.
Het Hof van Justitie oordeelt dat het bestemmingsplan van de gemeente Appingedam onder het toepassingsgebied van de Dienstenrichtlijn valt, omdat detailhandel kan worden aanzien als een dienst. Indien een bestemmingsplan gevolgen heeft voor dienstverleners, door bijvoorbeeld territoriale beperkingen in te voeren of een specifiek vergunningenstelsel, wordt de Dienstenrichtlijn van toepassing. Advocaat-generaal Szpunar benadrukte in zijn conclusie van 18 mei 2017 dat elk voorschrift, ongeacht zijn oorsprong, dat tot gevolg heeft dat de vestigingskosten voor dienstverrichters stijgen, in principe onder het toepassingsgebied van de Dienstenrichtlijn valt.
Volgens het Hof kan een bestemmingsplan kwantitatieve of territoriale beperkingen bevatten in de zin van artikel 15 lid 2 van de Dienstenrichtlijn. Er wordt geoordeeld dat de stedenbouwkundige voorschriften die niet-volumineuze detailhandel verbieden in een geografische zone, dergelijke beperkingen uitmaken. Deze beperkingen kunnen evenwel gerechtvaardigd zijn wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn, met name wanneer deze niet discriminatoir, noodzakelijk en evenredig zijn. Hoewel een dergelijke beoordeling toekomt aan de verwijzende rechter, wordt in dit arrest meegegeven dat de bescherming van het stedelijk milieu een dwingende reden van algemeen belang kan vormen die een territoriale beperking kan rechtvaardigen.

HvJ 30 januari 2018, nr. C-360/15 en C-31/16, NjW 2019, afl. 394, 21.

  16