GwH 26 april 2018, nr. 2018/51

Decreet integraal handelsvestigingsbeleid – gewijzigde vervalregeling socio-economische vergunningen – verboden terugwerkende kracht

Met het decreet betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid van 15 juli 2016 (Handelsvestigingsdecreet) werd de federale Handelsvestigingswet (of Ikea-wet) van 13 augustus 2004 opgeheven. Met hetzelfde decreet werd niettemin de vervalregeling uit de oude (opgeheven) Ikea-wet wet gewijzigd voor socio-economische vergunningen afgeleverd op grond van de wet. De Handelsvestigingswet werd aangepast zodat de vervaltermijn voor de ingebruikname van een handelsvestiging (4 jaar na afgifte van de vergunning) geschorst zou blijven zolang de voor de handelsvestiging (in voorkomend geval) vereiste stedenbouwkundige vergunning en/ of milieuvergunning niet definitief werd verleend. De vervaltermijn zou ook geschorst blijven zolang tegen de stedenbouwkundige vergunning en/of milieuvergunning beroepen hangende zijn bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad van State. De nieuwe vervalregeling zou bovendien retroactief in werking treden vanaf 1 juli 2014.
In de wandelgangen werd gefluisterd dat de Vlaamse regering hiermee Uplace wilde tegemoetkomen, door retroactief de socio-economische vergunning voor het project te laten herleven. Tegen de gewijzigde vervalregeling uit de Ikea-wet werd door de stad Vilvoorde en de NV Alcovil (die binnen dezelfde projectzone als Uplace een ander project wenste te realiseren) een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Grondwettelijk Hof.
Het Grondwettelijk Hof vernietigt de aangevochten artikels 52 en 59,4° van het Handelsvestigingsdecreet. Het Hof benadrukt dat de niet-retroactiviteit van wetten een waarborg is die tot doel heeft rechtsonzekerheid te vermijden. De terugwerkende kracht kan enkel verantwoord zijn als die absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Het Hof oordeelt dat de gewijzigde vervalregeling enkel ten goede komt aan personen die op 1 juli 2014 over een geldige socio-economische vergunning beschikten, maar welke op het ogenblik van de inwerkingtreding van het Handelsvestigingsdecreet op grond van de vroegere federale wetgeving was vervallen. Volgens het Hof beschermt de bestreden regelgeving aldus voornamelijk private belangen. Het verhelpen, met terugwerkende kracht, van de situatie van personen die op 1 juli 2014 nog een geldige socio-economische vergunning hadden, wordt door het Hof niet als noodzakelijk beschouwd voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang.

GwH 26 april 2018, nr. 2018/51, NjW 2019, afl. 394, 28.

  13