Gent 22 maart 2018

Verklaring van derde-beslagene - art. 1452-1456 Ger.W. - sanctie van schuldenaarsverklaring - inbreuk op de verklaringsplicht - beoordelingsmacht beslagrechter - matigingsrecht beslagrechter

Artikel 1452 Ger.W. verplicht de derde-beslagene om binnen de 15 dagen na het bewarend derdenbeslag een verklaring van derde-beslagene te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag. De verklaring van derdebeslagenen moet overeenkomstig artikel 1452 lid 2 Ger.W. nauwkeurig alle dienstige gegevens vermelden voor de vaststelling van de rechten van partijen.
Indien de derde-beslagene zijn verklaring niet heeft gedaan binnen de wettelijke termijn, of niet met nauwkeurigheid heeft gedaan, kan hij, nadat hij daartoe voor de beslagrechter werd opgeroepen, geheel of ten dele schuldenaar worden verklaard van de oorzaken en de kosten van het beslag, onverminderd de kosten van de tegen hem ingestelde rechtspleging, die in die gevallen te zijnen laste zijn. Deze sanctie is bepaald in artikel 1456 Ger.W.
De toepassing van artikel 1456 Ger.W. kan er enkel toe strekken de derde schuldenaar te doen 'verklaren' van het geheel of een deel van de oorzaken en de kosten van het bewarend beslag. Een veroordeling tot effectieve betaling van de bedragen, waarvoor bewarend beslag werd gelegd, is immers (nog) niet mogelijk wegens het ontbreken van een uitvoerbare titel lastens de beslagen schuldenaar.
Door zijn verklaring tot schuldenaar wordt de derde-beslagene aldus tot dezelfde schuld en op dezelfde wijze gehouden als de beslagene. De beslagene en de derde-beslagene gelden tegenover de beslaglegger slechts/hoogstens als in solidum gehouden schuldenaars. Ieder van hen is gehouden op grond van een eigen oorzaak. Voor de derde-beslagene is dit het niet afleggen na het beslag van een nauwkeurige verklaring van derde-beslagene.
Bij de toepassing van de sanctie van schuldenaarsverklaring heeft de beslagrechter een zekere beoordelingsmacht. Het gaat om een facultatieve sanctie, zoals blijkt uit de formulering ervan ('kan') en bovendien beschikt de rechter over een matigingsrecht ('geheel of ten dele'). De rechter oordeelt in feite, op onaantastbare wijze, of de sanctie bepaald in artikel 1456 Ger.W. al dan niet moet worden toegepast en zo ja, in welke mate.
Hij mag daarbij onderzoeken of er sprake is van bedrog, opzet of nalatigheid van de derde-beslagene. Hij kan beslissen dat de sanctie niet wordt opgelegd wanneer de omstandigheden van de zaak dit rechtvaardigen. Hij kan rekening houden met de omstandigheden, zoals de verschoonbaarheid van het verzuim, de hoedanigheid van de partijen, de vertrouwdheid met het derdenbeslag.
De schuldenaarsverklaring wordt in ieder geval uitgesproken wanneer er sprake is van fraude, collusie en in gevallen van onverschoonbare onzorgvuldigheid, maar de sanctie is niet tot deze gevallen beperkt. Bij een vastgestelde inbreuk op de verklaringsplicht, moet de sanctie in principe worden opgelegd en kan de rechter enkel besluiten tot het niet-opleggen van de sanctie wanneer de omstandigheden van de zaak dit rechtvaardigen. De sanctie van schuldenaarsverklaring heeft geen indemnitair karakter. Zij strekt er niet toe beweerde schade te vergoeden die de beslagleggende schuldeiser lijdt ten gevolge van het verzuim van de derde-beslagene, maar enkel de derde-beslagene te sanctioneren voor zijn verzuim. De omvang van de veroordeling van de derdebeslagene is niet afhankelijk van de schade van de beslaglegger.
De afwezigheid van schade vormt dan ook geen beletsel voor het uitspreken van de sanctie, aangezien de sanctie geen indemnitair karakter heeft. Om die reden moet de sanctie ook niet beperkt blijven tot het bedrag van de schuldvordering van de debiteur op de derde-beslagene, dit wil zeggen tot het voorwerp van het beslag, maar kan zij uitgebreid worden tot de oorzaken van het beslag. De afwezigheid van schade kan wel een element zijn waarmee rekening kan worden gehouden bij de uitoefening van het matigingsrecht.
De sanctie moet dus worden opgelegd telkens de handelswijze van de derde-beslagene ertoe strekt de figuur van het derdenbeslag te frustreren. De rechter kan enkel besluiten tot het niet-opleggen van de sanctie wanneer de omstandigheden van de zaak het rechtvaardigen. Aangezien het gaat om een resultaatsverbintenis, kan enkel overmacht de derde-beslagene exonereren. Aan de verdere concrete omstandigheden van het geval kan vervolgens voldoende recht worden gedaan bij de uitoefening van het matigingsrecht.

Gent 22 maart 2018, NjW 2018, afl. 385, 548.



Berichttitel

Berichtomschrijving
  13