GwH 11 mei 2017, nr. 2017/52

Dwingende conclusietermijnen in strafzaken - raadkamer - regeling rechtspleging - discriminatie - recht op een eerlijk proces - artikel 152 Sv. - artikel 127 Sv. - geen schending artikelen 10 en 11 Gw., al dan niet in samenhang met artikel 6 EVRM

Volgens artikel 152 Sv. kan een inverdenkinggestelde de raadkamer op de inleidingszitting bij de regeling van de rechtspleging niet om dwingende conclusietermijnen verzoeken, terwijl een beklaagde op de inleidingszitting voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank dit wel kan. Dat is geen schending van de artikelen 10 en 11 Gw., al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM.
De rechtspleging voor de raadkamer verschilt grondig van de rechtspleging voor de vonnisgerechten. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieƫn van personen die zich in verschillende situaties bevinden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen met zich mee zou brengen. Partijen kunnen in onderling overleg of in overleg met de raadkamer conclusietermijnen afspreken. Hoewel er in de procedure voor de raadkamer geen bepaling bestaat die toelaat laattijdige conclusies uit de debatten te weren, kan de raadkamer de neerlegging van conclusies weigeren wanneer ze enkel als vertragingsmanoeuvre bedoeld zijn of wanneer ze een misbruik van de rechtspleging vormen door een goede rechtsbedeling te verhinderen, de rechten van de tegenpartij op onrechtmatige wijze te schenden of het recht op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang te brengen. Er is dus geen sprake van een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen.

GwH 11 mei 2017, nr. 2017/52, NjW 2017, afl. 367, 597.



Berichttitel

Berichtomschrijving
  26