Arbitragehof 23 april 2002

Arbitragehof - belang - ruimtelijke ordening - instandhoudings- en onderhoudswerken - zonevreemde woningen - zonevreemde monumenten - gelijkheidsbeginsel

1. Verzoekende partijen kunnen als eigenaars van gebouwen waaraan mogelijkerwijs werken nodig zijn, geraakt worden door decretale bepalingen die de instandhoudings- en onderhoudswerken opsommen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning nodig is.Het feit dat die opsomming volgens de Vlaamse regering slechts een precisering zou zijn die reeds voortvloeit uit de rechtspraak, ontneemt op zich niet het belang dat de verzoekende partijen zouden hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling.
2. Artikel 32 van het decreet van 26 april 2000 wijzigt artikel 145 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO). Deze bepaling handelt over de mogelijkheid tot herbouwen of verbouwen van zonevreemde gebouwen na gehele of gedeeltelijke vernieling of beschadiging door brand, storm of overmacht.Voor gebouwen gelegen in welbepaalde gebieden zijn er geen afwijkingsmogelijkheden. Het decreet van 13 juli 2001 heeft artikel 145 DRO andermaal gewijzigd, en onder meer het lijstje van gebieden waarin zonevreemde werken niet kunnen worden toegestaan, verkort. Eigenaars van gronden gelegen in andere gebieden dan deze die zijn weerhouden na de decreetswijziging van 13 juli 2001, hebben niet langer belang bij een beroep tot vernietiging van artikel 32 van het decreet van 26 april 2000. Indien hun grond wel gelegen is in één van de gebieden genoemd door dit artikel 32, hebben zij wel nog belang ingeval de wijziging door het decreet van 13 juli 2001, waarover een vernietigingsberoep aanhangig is, wordt vernietigd. De verdere behandeling van het beroep, voorzover het gericht is tegen artikel 32 van het decreet van 26 april 2002, wordt bijgevolg uitgesteld tot na de afhandeling van het beroep tegen de decreetswijziging van 13 juli 2001.
3. Het is niet juist dat voor instandhoudings- en onderhoudswerken een onderscheid zou worden ingevoerd tussen eigenaars van zonevreemde woningen die dergelijke werken niet zouden mogen uitvoeren, en andere eigenaars die dat wel zouden mogen doen. Artikel 99 § 1, eerste lid, 1° DRO bepaalt immers dat niemand zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning mag bouwen,op een grond één of meer vaste inrichtingen plaatsen, een bestaande vaste inrichting of bestaand bouwwerk afbreken, herbouwen, verbouwen of uitbreiden, met uitzondering van instandhoudings- en onderhoudswerken. Daaruit volgt dat eenieder zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning instandhoudings- of onderhoudswerken onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden mag uitvoeren.
4. Artikel 195bis DRO, ingevoegd bij decreet van 26 april 2000, betreft de mogelijkheid om af te wijken van plannen van aanleg bij het verlenen van vergunningen voor werken en handelingen aan zonevreemde monumenten. De afwijkingsmogelijkheden zijn ruimer dan deze die bestaan voor andere zonevreemde gebouwen. Het verschil in behandeling tussen eigenaars van zonevreemde gebouwen die wel of geen definitief beschermde monumenten zijn, berust op een objectief criterium. Artikel 2, 2° van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten definieert een monument. Op basis van deze definitie mag de decreetgever een gebouw een bijzondere bescherming verlenen die niet geldt voor andere gebouwen. Op de eigenaars van een beschermd monument rusten, overeenkomstig het decreet van 3 maart 1976, overigens specifieke verplichtingen, zoals door de nodige instandhoudings- en onderhoudswerken het in goede staat te behouden en het niet te ontsieren, te beschadigen of te vernielen.

Arbitragehof 23 april 2002, NjW 2002, nr. 2, 55.



Berichttitel

Berichtomschrijving
  65