Ontslag van een contractueel personeelslid van de overheidssector en ontstentenis van voorafgaand verhoor

In een vonnis dat werd geveld op 13 juni 2019 besluit de Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel tot het bestaan van een fout in hoofde van de openbare werkgever die – zonder rechtvaardiging – nalaat de contractuele werknemer te horen voorafgaand aan zijn ontslag. Zij erkent het bestaan van materiële en morele schade.

De feiten

Een arbeidster van een gemeente van de Brusselse agglomeratie is arbeidsongeschikt van september 2013 tot januari 2014. Tijdens haar ongeschiktheidsperiode wordt haar een evaluatieverslag toegestuurd betreffende de periode van de twee voorgaande jaren. De brief verduidelijkt dat er geen mogelijkheid van onderhoud is geweest gelet op haar ziekte. Het verslag vermeldt positieve en minder positieve punten (autoritarisme, verspreiding van geruchten, gebrek aan afstand, overhaaste oordelen). Hoewel zij bepaalde taken die verband houden met haar functie correct uitvoert, neemt de werkgever moeilijkheden aan op het vlak van het gedrag en stelt hij een mutatie voor naar een andere dienst (economaat), waar zij geen ploeglast zou hebben.

Enkele weken later wordt haar ontslag echter voorgesteld aan het college van burgemeester en schepenen omdat ze niet voldoet aan de vereisten van haar functie en er geen andere beschikbaar is. Ter ondersteuning van de aanvraag worden verschillende documenten toegevoegd.
Het college ontslaat de betrokkene bijgevolg met een opzeggingsvergoeding. Het C4-document draagt als vermelding “Onaangepast gedrag. Onvermogen om een ploeg te leiden”. De ontslagbrief wordt gemotiveerd door de verwijzing naar de grieven die worden vermeld in het voorstel van de hiërarchie. Er wordt hoofdzakelijk gewag gemaakt van gedragskwesties, gebrek aan zorg en daarmee verwante grieven.
De betrokkene stelt een procedure in voor de rechtbank.

Standpunt van de partijen voor de rechtbank

Eiseres steunt zich op de schending van haar recht van verdediging, namelijk het recht om gehoord te worden en de beginselen van behoorlijk bestuur. Zij vordert de toekenning van een schadevergoeding, vastgesteld op 2.500 euro voor een materiële schade (die overeenstemt met het verschil tussen haar loon en de ontvangen werkloosheidsuitkeringen) en een morele schade van hetzelfde bedrag (aantasting van haar eerbaarheid en haar psychische integriteit).
Haar materiële schade heeft betrekking op het verlies van een kans om haar werk te behouden en, wat de morele schade betreft, laat zij gevoelens van vernedering en onrecht gelden.
De openbare werkgever is van oordeel dat de rechtspraak op het ogenblik van het ontslag niet vaststond betreffende de verplichting tot voorafgaand verhoor, zodat hij van oordeel is dat hij het gedrag van een normaal voorzichtige en zorgvuldige werkgever heeft aangenomen. Betreffende de schade is hij van oordeel dat eiseres niet de waarschijnlijkheid aantoont dat zij haar betrekking zou hebben behouden, noch een aantasting van haar eerbaarheid. Hij is bovendien van oordeel dat die schade is inbegrepen in de compensatoire opzeggingsvergoeding.

De beslissing van de rechtbank

De rechtbank motiveert uitgebreid naar recht betreffende de toepassing van het beginsel van het voorafgaand verhoor in geval van ontslag van een contractuele ambtenaar van het openbaar ambt.
Zij geeft er de definitie van en brengt de controverses in herinnering in de rechtsleer en de rechtspraak ter zake. Op dit ogenblik heeft het Grondwettelijk Hof twee zeer belangrijke beslissingen geveld betreffende de vraag, namelijk in de eerste plaats zijn arrest van 6 juli 2017 (G.H., 6 juli 2017, nr. 86/2017) en recenter dat van 22 februari 2018 (G.H., 22 februari 2018, nr. 22/2018).
De rechtbank herinnert eraan dat de eerste van de twee beslissingen kadert in de artikelen 32, 3° en 37, § 1 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten en de tweede in artikel 35. Het Grondwettelijk Hof heeft in de twee arresten een identieke redenering gevolgd, namelijk dat het algemene beginsel van behoorlijk bestuur audi alteram partem de overheid het voorafgaande verhoor oplegt van de persoon ten aanzien van wie een ernstige maatregel wordt overwogen om redenen die verband houden met zijn persoon of zijn gedrag. De overheid is de hoedster van het algemeen belang en moet uitspraak doen met volledige kennis van zaken. Dat beginsel impliceert dat de ambtenaar vooraf moet worden ingelicht en zijn opmerkingen nuttig moet kunnen laten gelden. Het objectieve verschil tussen de statutaire relatie en de contractuele relatie kan voor de ambtenaren van een overheidsinstantie geen verschil in behandeling bij de uitoefening van dat recht rechtvaardigen. De overheid moet dus met zorg handelen in het gemeenschappelijke belang (de rechtbank verwijst hier naar de rechtsleer van J. de WILDE d’ESTMAEL, “L’audition préalable au licenciement dans le secteur public : un partout ? ”, opm. onder G.H., 6 juli 2017, J.L.M.B., 2017, p. 1703).
Het vonnis herneemt de beslissingen die werden genomen op het niveau van de feitenrechters na de twee arresten van het Grondwettelijk Hof, waarbij het eraan herinnert dat de persoon het bestaan van schade moet bewijzen, dat wil zeggen het verlies van een kans om zijn werk te behouden, en dat die slechts ex aequo et bono kan worden begroot.
In casu benadrukt de rechtbank, die terugkomt op de omstandigheden van het ontslag en in het bijzonder op de periode van schorsing van de overeenkomst, dat hoewel er in dit opzicht een controverse bestond, die de werkgever ertoe moest aanzetten voorzichtig te zijn. Het gebrek aan voorzichtigheid wordt benadrukt, waarbij de rechtbank bovendien de korte periode in herinnering brengt tussen de vaststelling van de werkgever van de onmogelijkheid om de betrokkene te horen en de datum die bepaald is voor haar terugkeer naar het werk (een week).
Het beginsel van voorafgaand verhoor is weliswaar niet absoluut en het bestuur kan die formaliteit naast zich neerleggen wanneer ze nutteloos is of wanneer de spoedeisendheid van de situatie dit vereist. Deze omstandigheden zijn in casu echter geenszins bewezen en de rechtbank besluit dat het beginsel van het voorafgaand verhoor zich opdrong. Er werd dus een fout begaan.
Wat de schade betreft, neemt de rechtbank aan dat, hoewel de gemeente van oordeel is dat de betrokkene gelet op haar tekortkomingen hoe dan ook haar werk zou hebben verloren, de kritiek aan haar adres betrekking had op een post maar niet op een andere functie, die zij niettemin had kunnen uitoefenen. Er is dus een materiële schade die onderscheiden is van het verlies van de betrekking, een schade die wordt bepaald op 2.500 euro ex aequo et bono.
Wat de morele schade betreft, die komt voort uit de vermelding van het C4, had die kunnen worden gewijzigd ten gevolge van het voorafgaand verhoor en die de eerbaarheid van de persoon aantast. De schade bedraagt hier 1.000 euro netto.
Het geheel wordt aldus vastgesteld op 3.500 euro netto.
Wat de intrest betreft, die door de betrokkene werd gevorderd sinds het ontslag, herinnert de rechtbank eraan dat de schadevergoeding niet van rechtswege intrest opbrengt vanaf de opeisbaarheid ervan, aangezien die niet gedekt is door de wet van 12 april 1965. De interest is dus pas verschuldigd vanaf de aanmaning tot betaling. Bovendien aanvaardt de rechtbank de kapitalisatie van de intrest krachtens artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek, waarvan de voorwaarden vervuld zijn.
Ten slotte herinnert de rechtbank eraan dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is krachtens artikel 1397, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij verbiedt de gemeente de verschuldigde sommen te kantonneren, omdat eiseres sinds december 2014 wacht op het resultaat van de procedure en de bedragen niet hoog zijn. Een verdere vertraging zou ernstige schade veroorzaken.

Belang van de beslissing

In dit mooie vonnis, dat de vraag behandelt, herinnert de Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel eraan dat de besprekingen over de vraag nopens het voorafgaande verhoor van de contractuele ambtenaar in het openbaar ambt nu (in principe) beëindigd zijn sinds de twee arresten die dienaangaande werden geveld door het Grondwettelijk Hof op 6 juli 2017 en 22 februari 2018.
De rechtbank herinnert eraan dat zij in die twee beslissingen uitgaat van een identieke redenering die woord voor woord herhaald wordt, vandaar het belang ervan. Het betreft de herhaling van het algemene beginsel van behoorlijk bestuur en van de bijzondere rol van de overheid, die hoedster is van het algemeen belang en die met volledige kennis van zaken uitspraak moet doen wanneer zij een ernstige maatregel neemt die verband houdt met het gedrag of de persoon van de bestemmeling.
De rechtbank verwijst eveneens naar twee beslissingen ten gronde die werden gewezen sinds deze arresten van het Grondwettelijk Hof. Het betreft enerzijds een arrest van het arbeidshof van Brussel van 20 juni 2018 (Arbh. Brussel, 20 juni 2018, AR 2016/AB/1.149). Het hof heeft in dit verband geoordeeld dat, op basis van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof die een discriminatie heeft aanvaard die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, moet worden besloten tot het bestaan van een fout vanwege de overheid die een contractuele werknemer ontslaat zonder voorafgaand verhoor met inachtneming van het beginsel audi alteram partem, d.i. een fout die recht geeft op vergoeding indien de betrokkene aantoont dat zij in oorzakelijk verband staat met een schade die verband houdt met het verlies van een kans om zijn werk te behouden. Die is echter onbestaande in hoofde van degene die reeds een laatste waarschuwing had ontvangen en daardoor werd gewaarschuwd dat elke mogelijke toekomstige buitensporigheid in de toekomst als een dringende reden zou kunnen worden beschouwd.
Het tweede arrest waarnaar verwezen wordt, werd geveld door het arbeidshof van Bergen (Arbh. Bergen, 26 januari 2018, AR 2016/AM/404). In deze beslissing heeft het hof geoordeeld dat de werknemer, die contractueel wordt tewerkgesteld door een werkgever van het openbaar ambt, die er niet in slaagt het bestaan van een zeker oorzakelijk verband tussen de door laatstgenoemde begane fout aan te tonen door het algemene beginsel van behoorlijk bestuur audi alteram partem niet na te leven dat zich nochtans aan hem opdringt en de schade zoals die zich in concreto heeft voorgedaan, de mogelijkheid heeft om aan te tonen dat die fout op zekere wijze minstens het verlies van een kans voor gevolg heeft gehad om zijn werk te behouden en om aldus het herstel te verkrijgen van de geleden schade ten belope van de economische waarde van de verloren kans, dit is een waarde die niet kan bestaan in de totale som van het geleden verlies of de gederfde winst (cf. Cass., 17 december 2009, Pas., I, p. 3056). Aangezien de waarschijnlijkheid om een arbeidspost te behouden dankzij een voorafgaand verhoor dat de betwisting van de verweten grieven door de ontwikkeling van verweermiddelen mogelijk zou hebben gemaakt onmogelijk te evalueren is, moet de rechter een raming ex aequo et bono van de geleden schade toepassen, die, aangezien ze slechts vanuit financieel oogpunt kan worden beschouwd vermits het de economische waarde van de verloren kans is die vatbaar is voor vergoeding, dus uitsluitend bestaat in een vermogensschade.
Bron:

Arbrb. Brussel (Fr.), 13 juni 2019, AR 14/13.388/A

Gepubliceerd op 25-07-2019

  201