Moet Ryanair het Belgische arbeidsrecht naleven?

Het arbeidshof van Bergen heeft zich in zijn arrest van 14 januari 2019 uitgesproken ten gunste van de bevoegdheid van de Belgische arbeidsrechtbanken en ten gunste van de eventuele toepassing van de dwingende bepalingen van het Belgische recht, in het kader van een conflict tussen Ryanair en een van de leden van zijn boordpersoneel.

Feiten en voorgeschiedenis

De werknemer heeft op 21/04/2008 een arbeidsovereenkomst afgesloten met Ryanair in de hoedanigheid van ‘cabin services agent’.

De zetel van Ryanair bevindt zich in Ierland. De arbeidsovereenkomst was opgesteld in het Engels en bepaalde dat de arbeidsprestaties werden beschouwd als verricht in Ierland.
De overeenkomst bepaalde eveneens dat het toepasselijke recht het Ierse recht was en dat de Ierse rechtbanken bevoegd waren voor alle aangelegenheden die verband houden
met de uitvoering van de overeenkomst. De arbeidsovereenkomst wees de luchthaven van Charleroi aan als thuisbasis.
De werknemer, die bevorderd werd tot ‘supervisor’, heeft ontslag genomen in juni 2011. Vervolgens vorderde hij van Ryanair verschillende bedragen als loonregularisatie, vertrekvakantiegeld, vervoerskosten …
Bij vonnis van 04/11/2013 heeft de arbeidsrechtbank van Charleroi geoordeeld dat de rechtbanken van de Belgische staat niet bevoegd waren om kennis te nemen van de vordering van de werknemer.
De werknemer heeft hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis.

Beslissing van het hof

Het hof heeft in een eerste arrest geoordeeld dat het beding van de arbeidsovereenkomst, dat de bevoegdheid toewijst aan de Ierse rechtbanken, niet in overeenstemming was met artikel 21 van verordening nr. 44/2001 van 22/12/2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
Het hof oordeelde dat er twijfel bestond over de interpretatie die moet worden gegeven aan artikel 19, 2° van dezelfde verordening.
Dat artikel luidt als volgt:
De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
1) voor de gerechten van de lidstaat waar hij woonplaats heeft, of
2) in een andere lidstaat:
a) voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt, of
b) wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.

Het is het begrip ‘plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt’ dat een interpretatieprobleem stelde, gelet op de bijzonderheden van de luchtvaartsector en de bijzonderheden van het geschil.
Het hof heeft dus beslist om het standpunt van het Hof van Justitie van de Europese Unie te vragen. Dat Hof heeft bevestigd dat het aan de nationale rechter stond om de aanwijzingen in aanmerking te nemen die hem zouden toelaten de plaats te bepalen van waaruit de werknemer het belangrijkste deel van zijn verplichtingen vervult, waarbij het een belangrijk element heeft toegevoegd: de nationale rechtbank kan rekening houden met de plaats waar de thuisbasis zich bevindt, dat is een aanwijzing die door het Hof van
Justitie als significant wordt beschouwd.
Het arbeidshof heeft dus op basis van de specifieke gegevens van de zaak besloten dat de Belgische arbeidsgerechten bevoegd waren.
Om het toepasselijke recht te bepalen heeft het arbeidshof verwezen naar het Verdrag van Rome van 19/06/1980, dat nog van toepassing is voor dit geschil. Het hof heeft het volgende opgemerkt: uit artikel 6 van het Verdrag van Rome blijkt dat de werknemer, zelfs in geval van keuze van het recht van een andere staat krachtens de arbeidsovereenkomst, zoals het Ierse recht, de beschermingsregels van de staat waarin hij gewoonlijk heeft gewerkt (het Belgisch recht), kan inroepen indien de dwingende bepalingen van die staat gunstiger voor hem zijn.
Het hof beslist dus de debatten te heropenen om de dwingende bepalingen van het Belgische recht te vergelijken met die van het Ierse recht betreffende de vorderingen van de werknemer.

Belang van de beslissing

In de arbeidsverhoudingen in de luchtvaartsector spelen tal van buitenlandse elementen vaak een rol. Gelet op die elementen biedt het arbeidshof van Bergen een analyserooster. Om de bevoegde rechtbanken te bepalen moet op basis van aanwijzingen de plaats worden bepaald van waaruit de werknemer het belangrijkste deel van zijn verplichtingen vervult. En om het toepasselijke recht te bepalen moeten de dwingende bepalingen van het recht worden gezocht dat van toepassing zou zijn bij ontstentenis van keuze van de partijen, rekening houdend met de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn werk heeft verricht. Aan de hand van die methode kan de denkoefening in de sector inzake arbeidsrelaties beter ‘gestuurd’ worden.
Bron:

Arbh. Bergen, 14 juni 2019, onuitg., AR nr. 2013/AM/440

Gepubliceerd op 12-07-2019

  181