Kosteloze terbeschikkingstelling van een onroerend goed: gunstige raming van het VAA in afwachting van een wijziging van de regelgeving

Ten gevolge van een rechtspraak in haar nadeel (zie becommentarieerde rechtspraak:Kosteloze terbeschikkingstelling van een onroerend goed: is de ramingswijze van het VAA discriminerend?) geeft de administratie zich gewonnen en laat voorlopig een gunstige raming toe voor de VAA die voortvloeit uit de kosteloze terbeschikkingstelling van een onroerend goed.

VAA bij kosteloze terbeschikkingstelling van een onroerend goed

Artikel 36 van het WIB 1992 bepaalt dat voordelen van alle aard die anders dan in geld worden verkregen, gelden voor de werkelijke waarde bij de verkrijger. In de gevallen die Hij bepaalt kan de Koning regels stellen om die voordelen op een vast bedrag te ramen. Zo bepaalt artikel 18, § 3, 2° KB/WIB 92 onder meer dat bij kosteloze terbeschikkingstelling van een gebouwd onroerend goed of gedeelten van een gebouwd onroerend goed, het voordeel van alle aard als volgt wordt vastgesteld.
Terbeschikkingstelling door een natuurlijk persoon
Wanneer een onroerend goed (of een gedeelte ervan) kosteloos ter beschikking wordt gesteld door een natuurlijk persoon, wordt het voordeel forfaitair vastgesteld op 100/60 of 100/90 van het geïndexeerd kadastraal inkomen van het onroerend goed (of gedeelte van onroerend goed) naargelang het om een gebouwd of ongebouwd onroerend goed gaat.

Wanneer het een gemeubileerde woning betreft, wordt het voordeel met 2/3 verhoogd.

Uitzondering: wanneer de werkgever het betrekken van een goed oplegt en de omvang van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet het voordeel worden vastgesteld op 100/60 of 100/90 van het geïndexeerd kadastraal inkomen van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt.
Terbeschikkingstelling door een rechtspersoon
Voor ongebouwde onroerende goederen is de raming identiek als bij een terbeschikkingstelling door een natuurlijk persoon, met name 100/90 van het geïndexeerd KI.

Wanneer een gebouwd onroerend goed (of een gedeelte van een onroerend goed) door een rechtspersoon ter beschikking wordt gesteld van een werknemer, moet een onderscheid worden gemaakt naargelang van de hoogte van het kadastraal inkomen (KI) van het onroerend goed (of het gedeelte van onroerend goed):
  • het niet-geïndexeerd KI is lager of gelijk aan 745 euro: in dat geval wordt het voordeel forfaitair vastgesteld op 100/60 van het geïndexeerd KI;
  • het niet-geïndexeerd KI is hoger dan 745 euro: in dat geval wordt het voordeel forfaitair vastgesteld op 100/60 van het geïndexeerd KI, vermenigvuldigd met 3,8.
Uitzondering: wanneer de werkgever het betrekken van een goed oplegt en de omvang van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet het voordeel worden vastgesteld op 100/60 of 380/60 van het geïndexeerd kadastraal inkomen van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt.

Wanneer het een gemeubileerd gebouw betreft, wordt het voordeel met 2/3 verhoogd.

Rechtspraak

In een recent arrest stelde het Arbeidshof van Antwerpen vast dat de betrokken tekst van het KB/WIB 92 geen redelijke en objectieve rechtvaardiging biedt voor het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de terbeschikkingstelling door een natuurlijk persoon en de terbeschikkingstelling door een rechtspersoon. Een dergelijk onderscheid is evenmin te vinden in de aanhef bij de KB’s die de gedifferentieerde raming in het KB/WIB 92 hebben ingevoerd. Bij die KB’s was overigens geen verslag aan de Koning gevoegd. Samengevat rechtvaardigt geen enkel document het betwiste onderscheid (Antwerpen, 24 januari 2017, rolnr. 2015/AR/1117, onuitgegeven).

Het Hof van beroep van Antwerpen treedt zo het Hof van beroep van Gent bij, dat al had besloten dat de forfaitaire ramingsregel voor de berekening van het VAA dat verband houdt met de kosteloze terbeschikkingstelling van een gebouwd onroerend goed ongrondwettelijk was (Gent, 24 mei 2016, 6, www.monkey.be). Volgens het Hof van beroep van Gent levert de tekst zelf van het KB/WIB 92 geen enkele redelijke en objectieve verantwoording voor het onderscheid dat door artikel 18, § 3, 2° van het KB/WIB 92 wordt gemaakt. De aanhef van de koninklijke besluiten van 18 februari 1994 en 5 april 1995, die dit verschil in behandeling hebben ingevoerd, levert evenmin een verantwoording. Het feit dat die KB’s een dringende noodzakelijkheid inroepen, zodat de Raad van State niet werd geraadpleegd, kan niet als verantwoording dienen voor het toegepaste onderscheid. Dat blijkt immers niet uit een verslag aan de Koning.

Het Hof van beroep van Gent heeft zijn standpunt later bevestigd (Gent, 20 februari 2018, nr. 2015/AR/1235, onuitgegeven).

De Administratie geeft zich voorlopig gewonnen

In de inleiding meldt de Administratie dat artikel 18, § 3, 2 KB/WIB 92 moet worden aangepast om de discriminerende verschillende behandeling die door de twee Hoven van beroep werd opgemerkt weg te werken. Momenteel wordt bekeken hoe dat best kan gebeuren.

In afwachting van die reglementaire wijziging heeft ze echter beslist om de voormelde rechtspraak te volgen. In het geval dat een rechtspersoon een woning ter beschikking stelt aan een werknemer of een bedrijfsleider zal het belastbaar voordeel bijgevolg worden geraamd op 100/60 van het geïndexeerd kadastraal inkomen van die woning, in voorkomend geval verhoogd met 2/3 wanneer het een gemeubileerde woning is.

Voor wat betreft de behandeling van bezwaarschriften en de rechtsprocedures die daaruit zijn voortgevloeid, kan worden aangenomen dat bij de berekening van een VAA voor de terbeschikkingstelling van een onroerend goed of een gedeelte daarvan toepassing wordt gemaakt van artikel 18, § 3, 2, eerste lid, KB/WIB 92, ongeacht de persoon die het onroerend goed ter beschikking stelt.

Vragen tot ontheffing van ambtswege van aanslagen die na het verstrijken van de bezwaartermijn waarin art. 371, WIB 92 voorziet worden ingediend en de daaruit voortgevloeide gerechtelijke procedures, moeten daarentegen afgewezen worden omdat niet voldaan is aan de voorwaarden waarin art. 376, § 1 en § 2, WIB 92 voorziet. Art. 376, § 2, WIB 92 bepaalt immers dat een wijziging in de jurisprudentie niet als nieuw gegeven wordt beschouwd.

Bron: Circulaire nr. 2018/C/57 over de forfaitaire raming van de voordelen van alle aard voor de kosteloze terbeschikkingstelling van een woning, www.fisconetplus.be, © FOD Financiën, 15/05/2018
 

Gepubliceerd op 18-05-2018

Bernard Mariscal
  139