Kennelijk onredelijk ontslag: gevolgen van de ontstentenis van verzoek van de werknemer om de redenen van zijn ontslag te kennen

Het arbeidshof van Luik heeft op 15 januari jl. een interessant arrest geveld inzake de bewijslast in geval van kennelijk onredelijk ontslag.

Uiteenzetting van de feiten

Op 1 oktober 2012 werd mevrouw G. door de vzw M aangeworven om in het kader van een arbeidsovereenkomst voor bediende voor een bepaalde tijd de functie van “administratief beheerder” uit te oefenen. Vanaf 1 oktober 2013 werd ze aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Vanaf 24 november 2014 werd mevrouw G. van het werk gehouden wegens haar zwangerschap en zij genoot vervolgens moederschapsverlof tot 2 maart 2015. Vervolgens was zij arbeidsongeschikt tot 19 april 2015.
Mevrouw G. werd op 20 april 2015, de voorziene dag van haar werkhervatting, ontslagen met betaling van een compensatoire opzeggingsvergoeding van 3 maanden en 9 weken.
Per brief van 28 maart 2016 heeft de advocaat van mevrouw G. een vergoeding van 17 weken loon geëist van haar werkgever, op basis van artikel 9 van cao nr. 109.

Het bestreden vonnis

Bij vonnis van 24 februari 2017 heeft de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk maar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat mevrouw G. ter rechtvaardiging van haar vordering tot vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag niet bewijst dat de door de werkgever ingeroepen redenen geen verband houden met haar geschiktheid of gedrag of dat zij niet berusten op de noodwendigheden van de onderneming, noch dat het ontslag bovendien nooit zou beslist zijn door een normale en redelijke werkgever.
Mevrouw G. heeft vervolgens hoger beroep aangetekend.

Beslissing van het arbeidshof: vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag

Principes
Na de algemene beginselen te hebben uiteengezet die de aangelegenheid regelen, die vervat zijn in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 109, buigt het hof zich over de regels betreffende de bewijslast in geval van betwisting, zoals bedoeld in artikel 10 van cao nr. 109.
Het hof herinnert aan de verschillende gevallen bedoeld in artikel 10 van cao nr. 109, die verband houden met de naleving van de procedure van mededeling van de concrete redenen die tot het ontslag hebben geleid, zoals bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de cao.
Door te bepalen dat elke partij die feiten aanvoert daarvan de bewijslast draagt, maakt de tekst volgens het hof toepassing van het gemene bewijsrecht, bepaald in de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof benadrukt eveneens dat het burgerrechtelijk beginsel van medewerking aan de bewijslast eveneens van toepassing is in deze burgerrechtelijke optiek.
Het Hof onderscheidt ten slotte twee situaties. Dus:
  • De bewijslast zal gedragen worden door de werkgever, indien deze de redenen van het ontslag niet heeft meegedeeld.
  • De bewijslast zal daarentegen gedragen worden door de werknemer, enerzijds indien deze de redenen niet gevraagd heeft en anderzijds indien hij de mededeling ervan naar behoren ontvangen heeft.
Toepassing op voorliggend geval
De redenen die worden ingeroepen door de werkgever ter staving van zijn vordering zijn de tekortkomingen en vergissingen die zouden zijn begaan door mevrouw G. in de uitoefening van haar taken en die zouden zijn ontdekt tijdens haar periode van afwezigheid.
Aangezien mevrouw G. de redenen van haar ontslag niet heeft gevraagd, moet zij volgens het hof het bewijs leveren van elementen die wijzen op het onredelijke karakter van haar ontslag.
Het hof is van oordeel dat de bewijslast in geval van twijfel zal rusten op mevrouw G.
In casu levert mevrouw G. voldoende het bewijs van de feiten die zij aanvoert om het kennelijk onredelijke karakter van haar ontslag te rechtvaardigen, namelijk onder meer: haar positieve evaluatie, de verlenging van haar contract, haar evolutie binnen het medisch huis (met name op het gebied van loon), de ontstentenis van voorafgaande verwittiging en het behoud van het contact tijdens haar afwezigheid met haar vervangster, alsook met het sociaal secretariaat.
De werkgever moet van zijn kant het bewijs leveren van de tekortkomingen die hij toeschrijft aan mevrouw G.
Volgens het hof toont geen enkel concreet en objectief element de werkelijkheid aan van de tekortkomingen die worden ingeroepen ten laste van mevrouw G: er wordt alleen een tekortkoming aangetoond in de organisatie van haar functie als beheerder en geen tekortkoming in haren hoofde.
Het hof verwerpt daarentegen het argument van mevrouw G. volgens welk de werkelijke reden van haar ontslag het loonbeslag onder derden zou zijn dat net voor haar ontslag ter kennis werd gebracht van de werkgever.
Het hof veroordeelt de werkgever bijgevolg tot betaling aan mevrouw G. van een minimumvergoeding gelijk aan drie weken loon.

Belang van de beslissing

Het arrest is voornamelijk belangrijk wat de problematiek van de bewijslast inzake kennelijk onredelijk ontslag betreft.
De bewijslast die wordt georganiseerd door artikel 10 van cao nr. 109 beoogt twee gevallen:
  •  ofwel wordt de bewijslast gedragen door de werkgever, indien hij de redenen niet heeft meegedeeld;
  •  ofwel komt de bewijslast toe aan de werknemer indien laatstgenoemde de redenen niet heeft gevraagd of indien hij de mededeling ervan naar behoren heeft ontvangen.
In casu staat het dus aan de werknemer om de elementen te verstrekken die wijzen op het kennelijk onredelijke karakter van zijn ontslag.
De werkgever draagt eveneens de bewijslast van de feiten die hij aanvoert, door toepassing van het beginsel dat elke partij moet meewerken aan de bewijslevering.
Wanneer de bewijslast op de werknemer rust, zal die laatste in geval van twijfel in het ongelijk worden gesteld en zal hem bijgevolg geen enkele vergoeding verschuldigd zijn.
Tot slot merken we op dat deze civilistische benadering van de bewijslast inzake kennelijk onredelijk ontslag de weerslag vormt van de huidige rechtsleer ter zake, waarnaar het hof bovendien in zijn arrest verwijst.
Bron:

Arbh. Luik, afdeling Luik, 3e kamer, 15 januari 2019 – AR nr. 2018/AL/186

Gepubliceerd op 24-05-2019

  39