Herhaling betreffende de grondslag van de berekening van een ontslagvergoeding van een werknemer in deeltijds ouderschapsverlof en uitbreiding tot een uitkering voor re-integratieverlof

De op 14 december 1995 gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, zoals gewijzigd door richtlijn 97/75/EG van de Raad van 15 december 1997, past met name in een meer algemene strategie voor een betere verzoening van de beroeps- en gezinsverantwoordelijkheden van werkende ouders.

Om dit doel te bereiken is het belangrijk dat werknemers niet worden ontmoedigd om zo’n verlof te nemen en dat werkgevers niet worden aangespoord om, van alle werknemers, eerder de werknemers met ouderschapsverlof te ontslaan.
In dat opzicht had het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak gedaan over de vraag nopens de berekeningsbasis van de compensatoire opzeggingsvergoeding (HvJ, 20 oktober 2009, zaak C-116/08, Meerts) en die van de forfaitaire beschermingsvergoeding die wordt bepaald door artikel 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 ten gunste van de werknemers in ouderschapsverlof (HvJ, 27 februari 2014, zaak C-588/12, Lyreco). Het Hof had beslist dat het loon voor de voltijdse arbeidsovereenkomst in aanmerking moest worden genomen in plaats van het verminderde loon dat wordt uitgekeerd tijdens het deeltijdse ouderschapsverlof.
Dit arrest geeft het Hof de gelegenheid zijn analyse uit te breiden tot de kwestie nopens de berekeningsbasis van een re-integratieverlofuitkering die eigen is aan het Franse recht en zijn onderzoek uit te breiden in het licht van het non-discriminatiebeginsel vervat in artikel 157 VWEU …

De feiten

In Frankrijk wordt een werkneemster die is aangeworven met een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontslagen in het kader van een procedure van collectief ontslag om economische redenen, terwijl zij een ouderschapsverlof geniet in de vorm van een arbeidstijdverkorting met een vijfde.
Ten gevolge van de verbreking van haar overeenkomst geniet zij een ontslagvergoeding die wordt berekend in verhouding tot tijdvakken van voltijdse en deeltijdse arbeid.
Ze vraagt bovendien het voordeel aan van een re-integratieverlof, waardoor ze opleidingsacties kan genieten, alsook prestaties van een cel voor begeleiding bij het zoeken naar werk. Overeenkomstig dit verlof wordt haar een re-integratieverlofuitkering toegekend, die ten minste gedeeltelijk wordt berekend op basis van het verminderde loon dat zij ontvangt wanneer het ontslag plaatsvindt.
Het Franse Hof van Cassatie stelt zich vragen over de verenigbaarheid van de berekening van de ontslagvergoeding en van de berekening van de re-integratieverlofuitkering ten aanzien van, enerzijds, de raamovereenkomst betreffende het ouderschapsverlof en, anderzijds, het beginsel van gelijke beloning dat wordt bekrachtigd in artikel 157 VWEU.

De beslissing van het HvJ

Zoals hierboven vermeld had het Hof van Justitie reeds in zijn arrest Meerts geoordeeld dat een opzeggingsvergoeding die wordt betaald aan een werknemer die wordt ontslagen tijdens een periode waarin hij deeltijds ouderschapsverlof geniet, moet worden berekend op basis van zijn voltijds loon en niet op basis van het verminderde loon dat wordt ontvangen wanneer het ontslag plaatsvindt.
Een gelijkaardige beslissing werd geveld in een arrest Lyreco betreffende de forfaitaire beschermingsvergoeding die wordt bepaald door artikel 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 wanneer de werkgever een handeling stelt die ertoe strekt de arbeidsrelatie eenzijdig te beëindigen, behalve om een dringende reden of een voldoende reden, in geval van vermindering van de arbeidsprestaties.
Dit soort vergoedingen vormen immers rechten die afgeleid zijn uit de oorspronkelijke arbeidsrelatie. Bijgevolg moet de eenzijdige beëindiging door de werkgever die de verschuldigdheid van dit soort vergoedingen tot gevolg heeft, worden beschouwd als een beëindiging die betrekking heeft op de oorspronkelijke voltijdse arbeidsovereenkomst en niet met betrekking tot de tijdelijke omstandigheid van deeltijdse arbeid die aanwezig is tijdens het ouderschapsverlof.
In deze zaak herhaalt het Hof dezelfde redenering ten aanzien van een ontslagvergoeding en een re-integratieverlofuitkering die eigen zijn aan het Franse recht.
Bovendien gaat het Hof een stap verder, waarbij het van oordeel is dat een regeling zoals in casu die een ontslagvergoeding en een re-integratieverlofuitkering – minstens gedeeltelijk – zou berekenen op basis van het verminderde loon dat wordt ontvangen wanneer het ontslag plaatsvindt, in strijd zou zijn met het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers dat is vastgesteld door artikel 157 VWEU, aangezien een aanzienlijk groter aantal vrouwen (96 %) dan mannen voor deeltijds ouderschapsverlof kiest en het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling niet kan worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben.

Wat betekent dit?

De opzeggingsvergoeding en beschermingsvergoeding van een werknemer die voltijds wordt aangeworven maar op het ogenblik van het ontslag verminderde prestaties verricht rekening houdend met deeltijds ouderschapsverlof en daardoor een verminderd loon ontvangt, wordt berekend op basis van het voltijds loon.
Het Hof van Justitie volgt dezelfde redenering ten aanzien van de toekenning van de re-integratieverlofuitkering die eigen is aan het Franse recht. Men kan redelijkerwijze veronderstellen dat deze redenering kan worden uitgebreid tot de inschakelingsvergoeding die wordt bepaald door het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen in het kader van collectief ontslag.
Daarentegen kan op nuttige wijze in herinnering worden gebracht dat deze berekeningsmodaliteit niet als dusdanig kan worden toegepast op de andere gevallen van arbeidsduurvermindering die in het Belgische recht aanwezig zijn. Slechts voor enkele specifieke gevallen werd de toepasselijkheid van dit soort modaliteit erkend: zoals het geval van een arbeidsongeschikte werknemer die het werk deeltijds hervat met de toestemming van de adviserend geneesheer van het ziekenfonds (G.H., 28 mei 2009, nr. 89/2009), of die van de vermindering van de prestaties wegens palliatieve zorgen die wordt beoogd door artikel 102bis van de herstelwet van 22 januari 1985 (G.H., 5 december 2013, nr. 164/2013) (Voor verdere ontwikkelingen hierover, zie D. VAN STRIJTHEM, M. VAN INGELGEM en N. PELICAEN, “De begroting van de opzeggingsvergoeding in geval van ontslag volgend op de gedeeltelijke werkhervatting na arbeidsongeschiktheid”, noot onder G.H., 16 oktober 2014, R.A.B.G., 2015, blz. 168-170; F. KÉFER, “Le droit du travail (re)visité par la Cour constitutionnelle”, La Cour constitutionnelle – De l’art de modeler le droit pour préserver l’égalité, Limal, Anthemis, Édition du Jeune Barreau de Liège, 2016, blz. 181 e.v.).
Bron:

Gepubliceerd op 27-06-2019

  60