Doodsklok luidt over de mobiliteitsvergoeding

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest van 23 januari 2020 (nr. 11/2020;www.const-court.be) de mobiliteitsvergoeding vernietigd.

Deze regeling die op 1 januari 2018 van kracht werd, werd ingevoerd door de wet van 30 maart 2018 en lichtjes aangepast door een wet van 17 maart 2019. Ze staat de werknemer toe om onder bepaalde voorwaarden zijn bedrijfswagen terug te geven aan zijn werkgever in ruil voor een som geld (mobiliteitsvergoeding). Het bedrag van die vergoeding hangt af van het voordeel van alle aard betreffende de teruggegeven wagen en is onderworpen aan een sociaal en fiscaal regime dat zowel voor de werkgever als voor de werknemer vergelijkbaar is met dat van de bedrijfswagens.
We herinneren eraan dat de gevolgen van de wet van 30 maart 2018 tot en met 31 december 2020 behouden blijven voor de mobiliteitsvergoedingen die een werkgever betaalt in uitvoering van een positieve beslissing die vóór 24 februari 2020 genomen werd op het verzoek van een werknemer om die vergoeding te verkrijgen.
Dat betekent dat de gevolgen van de vernietigde wet nog tot en met 31 december 2020 blijven gelden voor deze mobiliteitsvergoedingen. Vanaf 1 januari 2021 zullen ze voor de werknemer als een gewone bezoldiging beschouwd worden.
Het einde is dus in zicht. Op 31 december 2020 wordt de mobiliteitsvergoeding definitief begraven.
De werknemer die van het stelsel van de mobiliteitsvergoeding wil overstappen naar dat van het mobiliteitsbudget (op voorwaarde dat de werkgever in die mogelijkheid voorziet) moet dit uiterlijk op 31 december 2020 aanvragen. Deze overstap is immers niet langer mogelijk vanaf 1 januari 2021. De fiscus meent immers dat de werknemer die een mobiliteitsvergoeding ontvangt niet in aanmerking komt voor een bedrijfswagen en dus niet voldoet aan de dubbelde voorwaarde, namelijk:
  • in de loop van de laatste 36 maanden over een bedrijfswagen beschikken of beschikt hebben of daarvoor gedurende ten minste 12 maanden in aanmerking gekomen zijn;
  • op het moment van de aanvraag over een bedrijfswagen beschikken of daarvoor in aanmerking komen sinds ten minste 3 ononderbroken maanden.
We herinneren er ook aan dat de verplichting voor de werkgever om de woonwerkverplaatsingen te vergoeden, in principe, wegviel vanaf de eerste dag van de maand waarin een mobiliteitsvergoeding toegekend werd aan de werknemer.
Deze verplichting wordt echter opnieuw bindend vanaf de eerste dag van de maand waarin de toekenning van de mobiliteitsvergoeding stopgezet wordt.
 

Gepubliceerd op 18-12-2020

  772