De thuiswachtdienst van de vrijwillige brandweerlui van de stad Nijvel gekwalificeerd als arbeidstijd

Het geschil dat werd voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie betrof de kwalificatie – als “arbeidstijd” of als “rusttijd” – van thuiswachtdiensten die werden verricht door een vrijwillige brandweerman bij de brandweer van de stad Nijvel.

Meer bepaald diende het arbeidshof van Brussel uitspraak te doen over de vergoeding van dergelijke wachtdiensten.

In principe valt deze financiële vraag betreffende het loon niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd. Deze richtlijn heeft als enige doel de arbeidsduur te beperken om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te garanderen (§ 26).

Dit neemt niet weg dat de lidstaten gerechtigd zijn de beloning van de binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/88 vallende werknemers vast te stellen op basis van de definitie van de begrippen „arbeidstijd” en „rusttijd” in artikel 2 van die richtlijn (§ 50). Indien dit het geval is, vloeit daaruit voort dat enige opheldering door het Hof van Justitie betreffende deze sleutelbegrippen “arbeidstijd” en “rusttijd” noodzakelijk kan zijn voor de nationale rechter om in fine een geschil te beslechten betreffende een loonproblematiek.

Het is in deze context dat het Hof van Justitie werd ondervraagd door het arbeidshof van Brussel met het oog op een betere omschrijving van de kwalificatie van de thuiswachtdiensten die door een vrijwillige brandweerman werden verricht bij de brandweer van de stad Nijvel en, daarmee samenhangend, het bepalen van de daarop toepasselijke bezoldiging.

De feiten

Dit geval betreft een geschil tussen de heer Matzak en de stad Nijvel.

De heer Matzak oefent sinds 1981 een activiteit uit als vrijwillige brandweerman bij de brandweer van de stad Nijvel, die uit beroepsbrandweerlieden en brandweervrijwilligers bestaat.

In 2009 begint de betrokkene een gerechtelijke procedure strekkende tot veroordeling van de stad Nijvel tot de betaling van een schadevergoeding wegens niet-betaling tijdens zijn dienstjaren van het loon met betrekking tot zijn prestaties als vrijwillig brandweerman, met name zijn thuiswachtdiensten.

Het arbeidshof van Brussel, waar het geding in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt, beslist om de uitspraak op te schorten om het Hof van Justitie te vragen of kan worden beschouwd dat dergelijke diensten onder de definitie van “arbeidstijd” vallen in de zin van richtlijn 2003/88 en dienovereenkomstig moeten worden vergoed.

De beslissing van het HvJ

Ter inleiding merkt het Hof op dat het statuut van de heer Matzak als vrijwillige brandweerman, en niet als beroepsbrandweerman, irrelevant is. Het betreft wel degelijk een “werknemer” in de zin van richtlijn 2003/88, aangezien de betrokkene “is toegelaten tot de brandweer van de stad Nijvel, waarbij hij onder leiding van een andere persoon bepaalde reële activiteiten heeft verricht waarvoor hij is betaald, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan” (§ 31).

De binaire benadering “arbeidstijd” tegenover “rusttijd” die op Europees niveau werd ontwikkeld, leidt ertoe dat de wachtdienst die een werknemer heeft gepresteerd in het kader van zijn activiteiten die hij voor zijn werkgever heeft verricht, noodzakelijkerwijze in de ene zin of in de andere moet worden gekwalificeerd. Er is geen tussencategorie tussen de werkperiodes en de rusttijden.

De voorliggende zaak had betrekking op een buiten de arbeidsplaats gepresteerde wachtperiode tijdens welke de werknemer niet alleen bereikbaar moest zijn, maar bovendien fysiek aanwezig moest zijn op de door de werkgever bepaalde plaats (in casu de woonplaats van de werknemer) en hij binnen een termijn van 8 minuten op zijn arbeidsplaats moest kunnen aankomen. Het Hof heeft deze wachtperiode als “arbeidstijd” beschouwd, aangezien de verplichtingen die eraan verbonden zijn “de mogelijkheid voor een (…) werknemer om zich aan zijn persoonlijke en sociale interesses te wijden, objectief (kunnen) beperken”.

Voor het overige merkt het Hof nog op dat de lidstaten de autonome definitie van de begrippen “arbeidstijd” en “rusttijd” die bekrachtigd wordt door artikel 2 van richtlijn 2003/88 ten aanzien van bepaalde categorieën van brandweerlui die door de openbare brandweerdiensten worden aangeworven, niet kunnen of mogen wijzigen. De lidstaten blijven daarentegen vrij om in hun respectieve nationale rechten bepalingen goed te keuren die voorzien in arbeidstijden en rusttijden die gunstiger zijn voor de werknemers dan die welke in deze richtlijn zijn vastgelegd.

Wat betekent dit?

Het geannoteerde arrest geeft een belangrijke nuance in de manier waarop de diversiteit moet worden beoordeeld van de wachtdiensten die zich in talrijke beroepen kunnen voordoen (zoals brandweer, zorgpersoneel, onderhoudstechnici (Cass., 6 juni 2011, AR S.10.0070.F, www.juridat.be), begrafenisondernemers (Arbh. Bergen, 18 januari 2010, AR 2007/AM/20768, www.juridat.be) enz.).

In de huidige stand van zaken lijkt de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie ons als volgt te kunnen worden samengevat:
  1. De wachttijd wordt volgens het stelsel van fysieke aanwezigheid op de arbeidsplaats gekwalificeerd als “arbeidstijd”, rekening houdend met de verplichtingen die de werknemer heeft om fysiek aanwezig te zijn op de plaats die door de werkgever wordt bepaald (de plaats van tewerkstelling) en zich daar ter beschikking te houden van laatstgenoemde om indien nodig onmiddellijk de gepaste prestaties te kunnen leveren (HvJ, 23 december 2015, zaak C-180/14, Commissie t. Helleense Republiek).
  2. De wachttijd volgens het systeem van bereikbaarheid waarbij de werknemer niet fysiek aanwezig moet zijn op een door de werkgever aangeduide plaats maar bereikbaar moet blijven, wordt slechts als “arbeidstijd” gekwalificeerd voor wat betreft de tijd die verband houdt met de effectieve dienstverlening, voor zover de werknemer zijn tijd kan beheren met minder verplichtingen en zich aan zijn eigen belangen kan wijden (HvJ, 3 oktober 2000, zaak C-303/98, Simap; HvJ, 9 september 2003, zaak C-151/02, Jaeger; Cass., 10 maart 2014, Pas., 2014, blz. 672; G.H., 3 maart 2016, arrest nr. 35/2016).
  3. Tot slot, en dit is het voorwerp van dit arrest, wordt de wachttijd waarbij de werknemer fysiek aanwezig moet zijn op een door de werkgever aangewezen plaats buiten de werkplaats, bereikbaar moet blijven en op korte termijn op zijn arbeidsplaats moet kunnen aankomen gekwalificeerd als “arbeidstijd”, gelet op de geografische en temporele verplichtingen die wegen op de werknemer die zijn mogelijkheden beperken om zich met zijn zaken bezig te houden.
Deze bijdrage van het Hof van Justitie stelt een recent arrest van het Hof van Cassatie ter discussie dat de voorziening tegen een arrest van het arbeidshof van Luik had verworpen, overwegende dat de thuiswachtdienst van de brandweer van de stad Dinant niet kon worden beschouwd als arbeidstijd, aangezien de verplichting van deze brandweerlieden er alleen in bestond om bereikbaar te zijn en zich klaar te houden om zich binnen een zeer korte termijn aan te bieden bij de kazerne (Cass., 18 mei 2015, AR S.13.0024.F).

Het doorslaggevende beoordelingscriterium volgens welk de werknemer tijdens de wachtdienst wel degelijk ter beschikking is van de werkgever, lijkt voortaan dus het feit te zijn dat de werknemer fysiek aanwezig moet zijn op de door de werkgever bepaalde plaats – of het nu gaat om de arbeidsplaats dan wel een andere plaats, zoals de woonplaats van de werknemer – en onderworpen is aan zodanige verplichtingen dat zij de mogelijkheden van die laatste om zich aan zijn persoonlijke en sociale interesses te wijden, objectief kunnen beperken.
Source:

Gepubliceerd op 13-04-2018

Aurélie Mortier
  201