De pensioenhervorming tegenover het Grondwettelijk Hof

In een arrest van 30 november 2017 wordt bij het Grondwettelijk Hof een beroep tot vernietiging aanhangig gemaakt tegen verschillende bepalingen van de wet van 10 augustus 2015 “tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen, de voorwaarden voor de toegang tot het vervroegd pensioen en de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen”.

De beroepen die onder meer werden ingesteld door de vakbondsorganisaties beogen de verhoging van de pensioenleeftijd van 65 tot 67 jaar voor de overheidssector, de verstrenging van de voorwaarden voor de toegang tot een vervroegd pensioen en de verhoging van de leeftijd van het overlevingspensioen.

De bestreden wet strekt ertoe het regeerakkoord van 9 oktober 2014 uit te voeren, dat erin voorziet de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen te verhogen, het vervroegd pensioen te hervormen en de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen te verhogen teneinde de leefbaarheid van het pensioensysteem te versterken.

De wettelijke pensioenleeftijd, thans 65 jaar, wordt aldus behouden tot 31 december 2024 en wordt in 2025 op 66 jaar en vanaf 1 januari 2030 op 67 jaar gebracht.

Wat het vervroegd pensioen betreft, wordt de leeftijdsvoorwaarde met 6 maanden per jaar opgetrokken. Die stijgt aldus van 62 jaar in 2016 naar 62 jaar en 6 maanden in 2017 en naar 63 jaar in 2018. De loopbaanvoorwaarde stijgt van 40 jaar in 2016 naar 41 jaar in 2017 en 2018 en naar 42 jaar in 2019. Voor de lange loopbanen is voorzien in uitzonderingen.

De memorie van toelichting van de wet steunt op de vergrijzing van de bevolking, de te lage gemiddelde uitstapleeftijd uit de arbeidsmarkt in België en de lage werkgelegenheidsgraad van ouderen. Het pensioenbudget is gestegen met meer dan 1,7 miljard per jaar tussen 2006 en 2015. Deze vaststelling maakte een hervorming van de pensioenregeling noodzakelijk.

Een hervorming die de parlementsleden spaart …

Bij wijze van inleiding merken wij op dat een gedeelte van het beroep dat werd ingesteld door een verzoeker in persoon, betrekking heeft op de verhoging van de pensioenleeftijd. De verzoeker beroept zich op het criterium van discriminatie tussen de werknemers, voor wie de pensioenleeftijd wordt opgetrokken van 65 naar 67 jaar, en de parlementsleden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die hun pensioen mogen nemen op 55 jaar.

Volgens de Ministerraad zijn de categorieën niet vergelijkbaar en zijn de reglementeringen die de wetgever wil wijzigen gewone pensioenregelingen voor werknemers, zelfstandigen en de overheidssector terwijl de regeling van de Kamer een specifieke regeling is!

De verzoeker is van oordeel dat de wetten die van toepassing zijn op de burgers eveneens van toepassing zouden moeten zijn op de parlementsleden. Het Grondwettelijk Hof zal slechts kunnen vaststellen dat het niet bevoegd is op grond van het uitzonderlijke karakter van de pensioenregeling van de leden van de Kamer, die aan zijn controle ontsnapt. In België zijn alle Belgen gelijk voor de pensioenhervorming … behalve de parlementsleden …!

Betreffende de verhoging van de pensioenleeftijd

1. Het beroep, dat werd ingesteld door de vakbondsorganisaties, vordert de vernietiging van de artikelen 2, 12 en 18 van de wet, aangezien zij van oordeel zijn dat de verhoging van de pensioenleeftijd en de verstrenging van de voorwaarden van vervroegd pensioen een groot aantal personen – onder meer personen die in de overheidssector werken en die op pensioen worden gesteld om redenen van ongeschiktheid – het recht ontzeggen om met vervroegd pensioen te gaan. Zij zijn van oordeel dat de wet een aanzienlijke achteruitgang zou inhouden van de voorwaarden van toegang tot het pensioen in strijd met artikel 23 van de Grondwet (Standstill-verplichting) die gerechtvaardigd zou moeten worden door redenen van algemeen belang en evenredig zou moeten zijn.

Volgens de Ministerraad is de beslissing van de regering om de wettelijke pensioenleeftijd naar 67 jaar op te trekken voor een groot deel ingegeven door de wens van de regering om de effectieve leeftijd voor de uitstap uit de arbeidsmarkt van 59 op 64 jaar te brengen (het Europees gemiddelde). Om dat Europees gemiddelde te halen en werknemers met een lange loopbaan of met een zwaar beroep de mogelijkheid te geven om tussen 60 en 62 jaar met pensioen te gaan, moeten andere mensen onvermijdelijk tot 67 jaar werken.

Het laat volgens de minister eveneens toe om aanzienlijke besparingen te realiseren, die volgens de minister voor 2018 geraamd worden op 279 miljoen euro voor de overheidssector, 102,8 miljoen euro voor het werknemersstelsel en 5,6 miljoen euro voor de regeling voor zelfstandigen.

Het Hof merkt op dat het aan de wetgever toekomt te oordelen in hoeverre het opportuun is maatregelen te nemen met het oog op besparingen inzake rust- en overlevingspensioenen. Het Hof besluit dat de hervorming dus beantwoordt aan een doel van algemeen belang, aangezien het erom gaat de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te verzekeren, door rekening te houden met de budgettaire kosten van de vergrijzing van de bevolking. Het Hof voegt eraan toe dat de spreiding in de tijd van de bestreden regeling voor het vervroegd pensioen ten belope van telkens zes maanden in 2017 en in 2018, evenals de toegekende afwijkingen en overgangsmaatregelen maken dat de wetgever naar een evenwicht heeft gezocht, dat niet kennelijk onredelijk is.

De verzoekende partijen bekritiseren eveneens het abrupte karakter van de maatregel die ertoe strekt de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen te brengen op 66 jaar en daarna op 67 jaar, aangezien de pensioenleeftijd met 1 jaar kan worden uitgesteld naargelang de betrokkene is geboren op 31 december van een jaar of op 1 januari van het daaropvolgende jaar.

Het Hof is evenwel van oordeel dat, wanneer de wetgever meent dat een beleidswijziging vereist is, hij vermag te beslissen daaraan een onmiddellijke werking te verlenen en hij in beginsel er niet toe gehouden is in een overgangsregeling te voorzien en dat het criterium van de geboortedatum een objectief criterium is.

2. Het tweede middel dat wordt aangevoerd door de vakbonden om de vernietiging van de bepalingen te vorderen steunt op de discriminatie die de hervorming bewerkstelligt tussen mannen en vrouwen (deze discriminatie is verboden krachtens artikel 4 van de richtlijn 79/7/EEG, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3 en 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 20, 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie).

De verzoekers voeren immers aan dat de wetgever mannen en vrouwen gelijk behandelt, terwijl de beroepsloopbanen en de daarmee gelijkgestelde periodes aanmerkelijk korter zouden zijn bij vrouwen dan bij mannen.

Het Hof, dat zich baseert op de cijfergegevens van het Federaal Planbureau, van september 2015, is van oordeel dat het verschil tussen het percentage mannen en vrouwen die voldoen aan de loopbaanvoorwaarde voor een vervroegd pensioen niet dermate groot is dat het de grondslag zou kunnen vormen voor een redelijk verantwoord verschil in behandeling dat steunt op het geslacht. Het Hof besluit dat, vóór de aanneming van de bestreden wet, mannen en vrouwen gelijk behandeld werden ten aanzien van de pensioenleeftijd en de voorwaarden om toegang te hebben tot het vervroegd pensioen. De bij de bestreden wet ingevoerde hervorming is eveneens op identieke wijze van toepassing op de werknemers van beide geslachten.

Het Hof besluit dus dat het beroep niet gegrond is op dit punt.

Betreffende het overlevingspensioen

De artikelen 9, 10 en 21 van de bestreden wet verhogen de minimumleeftijd om aanspraak te kunnen maken op het overlevingspensioen. Die leeftijd wordt vanaf 2030 vastgelegd op 55 jaar. Het nagestreefde doel is de mensen aan te zetten tot het uitoefenen van een beroepsactiviteit, zelfs ingeval ze een uitkering als langstlevende echtgenoot genieten.

Volgens de verzoekende partijen zouden de bestreden bepalingen tot gevolg hebben dat een aantal langstlevende echtgenoten van ambtenaren en werknemers, namelijk diegenen die op 1 januari 2030 ouder zijn dan 50 jaar maar jonger dan 55 jaar, geen recht zullen hebben op een overlevingspensioen, maar slechts op een overgangsuitkering (de overgangsuitkering wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot die, op het ogenblik van het overlijden van zijn echtgenoot of echtgenote, niet de leeftijd bereikt heeft die is vastgesteld voor het verkrijgen van een overlevingspensioen mits bepaalde voorwaarden), beperkt tot één of twee jaar naargelang zij al dan niet kinderen ten laste hebben. Zij beweren dus dat de bestreden bepalingen in aanzienlijke mate het beschermingsniveau in die materie voor de betrokken personen verminderen.

Het Hof onderzoekt deze bepalingen dus in het licht van de standstill-verplichting van artikel 23 van de Grondwet, waarbij het nagaat of deze vermindering wordt verantwoord door redenen die verband houden met het algemeen belang.

Bij het lezen van de memorie van toelichting is het Hof van oordeel dat het niet de budgettaire motieven zijn die de aanneming van de maatregel hebben verantwoord, maar wel de zorg om de personen die ervoor zouden kiezen hun beroepsactiviteit te onderbreken na het overlijden van hun echtgenoot, aan het werk te houden en aldus de werkloosheidsval te vermijden. Het betreft dus een doel van algemeen belang.

Dan is nog vereist dat de maatregel niet discriminerend is. Hier is het Hof evenwel van oordeel dat de maatregel eveneens betrekking heeft op personen die niet actief zijn op de arbeidsmarkt of daar slechts gedeeltelijk actief zijn en die, hoewel zij een overgangsuitkering zullen genieten gedurende één of twee jaar naargelang van hun gezinssituatie, daadwerkelijk, na die periode, in een precaire situatie zullen kunnen terechtkomen die de toekenning van een overlevingspensioen in principe precies moet voorkomen, waarbij zij, indien zij geen werk hebben gevonden binnen de periode waarvoor zij de overgangsuitkering ontvangen in voorkomend geval, als enig inkomen werkloosheidsuitkeringen of een uitkering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering genieten, terwijl de gezinslast vóór het overlijden ook kon worden gedragen door het inkomen of het pensioen dat de overleden werknemer ontving.

Het Hof besluit dus dat de maatregel, door de leeftijd voor een overlevingspensioen op te trekken naar 55 jaar, dus op onevenredige wijze afbreuk doet aan de personen die zich, wegens hun leeftijd, in een bijzonder kwetsbare situatie op de arbeidsmarkt bevinden of ten aanzien van de personen wier arbeidsongeschiktheid is erkend.

Het Hof voegt eraan toe dat de bestreden bepalingen, door die personen een overlevingspensioen te ontzeggen tot de leeftijd van 55 jaar, terwijl zij weduwe of weduwnaar zijn en zij moeten kunnen instaan voor financiële lasten die voordien werden gedragen door het inkomen van de echtgenoot vóór diens overlijden, een risico van armoede inhouden dat niet redelijk verantwoord is ten opzichte van de nagestreefde doelstellingen.

Het Hof vernietigt de artikelen 9, 10 en 21 van de bestreden wet dus in zoverre zij de leeftijd die vereist is voor het toekennen van een overlevingspensioen optrekken naar 55 jaar.
Bron:

Gepubliceerd op 30-12-2017

Nathalie Hautenne
Arbeidsauditeur van Luik, afdeling Namen
  473