De ongrondwettelijkheid van artikel 68 van de wet op het eenheidsstatuut wat de opzeggingsclausules betreft die werden afgesloten voor de inwerkingtreding van de wet

Het Grondwettelijk Hof heeft onlangs een belangrijk arrest geveld inzake opzeggingsbedingen.

De feiten

De arbeidsovereenkomst van een bediende bevatte een beding dat van toepassing was in geval van beëindiging dat voorzag in de toepassing van een formule, die hem, rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd en zijn loon, een opzeggingstermijn van 41 maanden en tien weken toekende.

Na de beëindiging van de overeenkomst door zijn werkgever weigerde deze laatste toepassing te maken van die opzeggingsclausule aangezien hij van oordeel was dat deze op dit ogenblik niet meer geldig was gelet op de inwerkingtreding van artikel 68 van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen.

De aan het Grondwettelijk Hof gestelde prejudiciële vraag

De rechter oordeelde dat geen rekening kan worden gehouden met de opzeggingsclausule zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst vermits krachtens artikel 68, lid 3, van deze wet de opzeggingstermijn voor de hogere bedienden voor de dienstanciënniteit verworven voor 31 december 2013 vastgesteld wordt op één maand per begonnen jaar anciënniteit, met een minimum van drie maanden. Die bepaling voorziet niet in de mogelijkheid om afwijkende conventionele regels toe te passen.

Hij heeft zich echter vragen gesteld over het feit dat de betrokken bepaling tot gevolg zou hebben dat hogere en lagere bedienden verschillend worden behandeld, in zoverre enkel voor de lagere bedienden rekening kan worden gehouden met conventionele regels en alle hogere bedienden gelijk worden behandeld ongeacht of er al dan niet contractuele zekerheid bestond over de na te leven opzeggingstermijn.

Bij vonnis van 15 mei 2017 heeft de arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Aalst, het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt artikel 68 van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen, in de interpretatie dat voor de hogere bedienden geen rekening kan worden gehouden met een geldige voorafgaande overeenkomst over de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn en deze overeengekomen opzeggingstermijn wordt vervangen door het forfait van één maand per begonnen jaar anciënniteit, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat:
- enerzijds voor de hogere bediende, die een geldige overeenkomst sloot over de door de werkgever te respecteren opzeggingstermijn, geen rekening wordt gehouden met die opzeggingstermijn en die termijn wordt vervangen door een opzeggingstermijn die gelijk is aan één maand per begonnen jaar anciënniteit, terwijl voor alle andere werknemers wel rekening wordt gehouden met de opzeggingstermijn die geldig was overeengekomen met de werkgever;
- anderzijds voor de hogere bediende de op 31 december 2013 toepasselijke opzeggingstermijn terzijde wordt geschoven, terwijl voor alle andere werknemers wel rekening wordt gehouden met de op 31 december 2013 toepasselijke opzeggingstermijn?”

Het standpunt van het Grondwettelijk Hof

1. Het Hof bepaalde eerst de omvang van de prejudiciële vraag rekening houdend met het onderwerp van het voor de rechter hangende geschil en met de motivering van de verwijzingsbeslissing.

Volgens de ministerraad diende de draagwijdte van de prejudiciële vraag immers te worden beperkt tot de ongelijkheid van behandeling tussen de hogere bedienden en de andere werknemers zodat enkel de grondwettelijkheid van artikel 68, lid 3, door het Hof diende te worden onderzocht.

Bijgevolg zou het Hof de verenigbaarheid van artikel 68 van de Wet Eenheidsstatuut met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet slechts moeten onderzoeken wat lid 3 van deze bepaling betreft, aangezien voor de hogere bedienden geen rekening mag worden gehouden met een geldig opzeggingsbeding dat van kracht is op 31 december 2013 vermits de overeengekomen opzeggingstermijn wordt vervangen door het forfait van één maand per begonnen jaar anciënniteit in het kader van de berekening van het eerste deel van de opzeggingstermijn verbonden aan de dienstanciënniteit op die datum.

Hoewel de prejudiciële vraag enkel een verschil in behandeling tussen de hogere bedienden en alle andere werknemers vermeldt, blijkt volgens het Hof voldoende uit de motivering van de verwijzingsbeslissing dat de rechter ook vraagt of het redelijk verantwoord is dat alle hogere bedienden gelijk worden behandeld, ongeacht of zij voor 1 januari 2014 een overeenkomst over de na te leven opzeggingstermijn hadden gesloten.

Bovendien was de ministerraad van oordeel dat een op 31 december 2013 geldende opzeggingsclausule niet afzonderlijk zou kunnen worden toegepast voor de berekening van het eerste deel van de opzeggingstermijn betreffende de op 31 december 2013 verworven dienstanciënniteit, doch enkel voor de berekening van de gehele opzeggingstermijn, indien de overeengekomen opzeggingstermijn gunstiger is voor de werknemer dan de termijn bepaald overeenkomstig de artikelen 67 tot 69 van de Wet Eenheidsstatuut.

Voor de werkgever kan artikel 68, lid 3, van de Wet Eenheidsstatuut enkel als dusdanig worden begrepen dat de op 31 december 2013 geldende opzeggingsclausules voor hogere bedienden niet meer kunnen worden toegepast. De bediende was van oordeel dat een op 31 december 2013 geldende opzeggingsclausule afzonderlijk kan worden toegepast voor de berekening van het eerste deel van de opzeggingstermijn betreffende de op die datum verworven dienstanciënniteit.

Volgens het Hof heeft de prejudiciële vraag enkel betrekking op het eerste deel van de opzeggingstermijn, dat op grond van artikel 68 van de Wet Eenheidsstatuut wordt berekend volgens de dienstanciënniteit verworven voor 1 januari 2014.

Het Hof mag dus de geldigheid van de op 31 december 2013 bestaande opzeggingsbedingen voor de berekening van het tweede deel van de opzeggingstermijn, op grond van artikel 69 van de Wet Eenheidsstatuut, niet onderzoeken.

2. Het Hof herinnert er vooreerst aan dat de wetgever, bij de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen (Wet Eenheidsstatuut), gevolg heeft willen geven aan het arrest van het Hof nr. 125/2011 van 7 juli 2011, dat had geoordeeld dat de tot dan toe bestaande verschillen in behandeling tussen arbeiders en bedienden in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (Arbeidsovereenkomstenwet), meer bepaald op het stuk van de opzeggingstermijnen in geval van ontslag en wat de regeling van de carenzdag betreft, in strijd waren met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

Het is om een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde discriminatie dat de wetgever in beginsel voorzien heeft in één stelsel van opzeggingstermijnen voor de werknemers, ongeacht de aard van hun belangrijkste activiteit en ongeacht de hoogte van hun jaarlijkse loon.

Aldus bepaalt artikel 37/2 van de Arbeidsovereenkomstenwet, ingevoegd bij artikel 3 van de Wet Eenheidsstatuut, vaste opzeggingstermijnen, louter op grond van de anciënniteit van de werknemer.

Krachtens artikel 111 van de Wet Eenheidsstatuut blijven de opzeggingen betekend vóór de inwerkingtreding van die wet, dit is voor 1 januari 2014, “al hun gevolgen behouden”.

Het Hof stelt ook vast dat de artikelen 67 tot 69 van de Wet Eenheidsstatuut een overgangsregeling bevatten voor de berekening van de duur van de opzeggingstermijn met betrekking tot de arbeidsovereenkomsten die een aanvang hebben genomen vóór 1 januari 2014 en die vanaf die datum worden beëindigd.

Volgens artikel 67 wordt de na te leven opzeggingstermijn in geval van ontslag door de werkgever of ontslag door de werknemer van werknemers wier arbeidsovereenkomst een aanvang heeft genomen vóór 1 januari 2014, vastgesteld door de twee termijnen die berekend worden zoals respectievelijk bepaald in de artikelen 68 en 69, op te tellen.

Volgens artikel 68 wordt het eerste deel berekend in functie van de ononderbroken dienstanciënniteit verworven op 31 december 2013.

Artikel 68, lid 2, van de Wet Eenheidsstatuut bepaalt dat het eerste deel van de door de werkgever en de werknemer in acht te nemen opzeggingstermijn wordt vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die gelden op 31 december 2013 en die van toepassing zijn in geval van opzegging ter kennis gebracht op deze datum.

Daarentegen bepaalt artikel 68, lid 3, voor hogere bedienden een afwijkende regeling die, in geval van opzegging door de werkgever, bepaalt dat deze termijn, in afwijking van lid 2, wordt vastgesteld op een maand per begonnen jaar anciënniteit bij opzegging door de werkgever, met een minimum van drie maanden.

Zo stelt dit lid het deel van de opzeggingstermijn voor de periode voorafgaand aan 1 januari 2014 vast op basis van een forfaitaire formule waarbij niet wordt verwezen naar de mogelijkheid tot toepassing van eventuele contractuele opzeggingsclausules.

3. Het Hof stelt vast dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies bij het voorontwerp dat tot de Wet Eenheidsstatuut heeft geleid, heeft opgemerkt dat “Voor de bedienden met een jaarlijks loon hoger dan 64.508 euro op het ogenblik van de indiensttreding (hierna: de hogere bedienden), mogen de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijnen ook vastgesteld worden bij een overeenkomst ‘gesloten ten laatste op het ogenblik van indiensttreding’ (huidige artikel 82, § 5 van de wet van 3 juli 1978). Bijgevolg zou gesteld kunnen worden dat het ontworpen artikel 68, lid 3, afbreuk doet aan de verworven rechten van de hogere bedienden die in dienst zijn getreden vóór 31 december 2013 en die op dat ogenblik met hun werkgever een geldige opzeggingstermijn hebben vastgelegd bij overeenkomst, maar die pas na 1 januari 2014 door deze werkgever worden ontslagen” (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3144/001, p. 121).

In antwoord op dat advies werd in de parlementaire voorbereiding vermeld dat:

“Wat betreft de opmerking van de Raad van State met betrekking tot artikel 68, moet eraan herinnerd worden dat deze bepaling deel uitmaakt van de overgangsregeling die rekening houdt met de legitieme verwachtingen van de partijen van wie de arbeidsovereenkomst werd gesloten en uitgevoerd vóór 1 januari 2014. Een legitieme verwachting houdt in dat de overeengekomen clausules worden gerespecteerd.

Alle geldige clausules die bestaan op 31 december 2013 blijven dus onveranderd en het is op basis hiervan dat de rechten worden bepaald voor het verleden.

Deze memorie bepaalt dat de forfaitaire bepaling met betrekking tot de opzeggingstermijn eigenlijk enkel en alleen dienst doet om onderhandelingen op 31 december 2013 te vermijden voor de doelgroep waar, op basis van de huidige wetgeving, de opzeggingstermijn moet worden onderhandeld op het einde van de arbeidsovereenkomst. Zij dient dus om een uniformiteit te creëren. Zij geldt dus niet voor de werknemers waarvoor reeds een zekerheid bestond op basis van de conventionele akkoorden die werden gesloten in het verleden”
(Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3144/001, p. 44).

Het Hof merkt eveneens op dat, in dezelfde zin, in het verslag namens de commissie voor de Sociale Zaken, inzake de berekening van het eerste deel van de opzeggingstermijn, wordt benadrukt dat “Indien voor deze hogere bedienden een eerder afgesloten geldig contract de opzeggingstermijn bepaalt, deze overeenkomst wel moet worden nageleefd” (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3144/004, p. 6).

Volgens het Hof blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de wetgever ook voor hogere bedienden, bij het bepalen van het eerste deel van de opzeggingstermijn, rekening heeft willen houden met de geldig overeengekomen opzeggingsclausules.

De duidelijke en ondubbelzinnige tekst van artikel 68, lid 3, van de Wet Eenheidsstatuut stelt echter de opzeggingstermijn vast op een maand per begonnen jaar anciënniteit met een minimum van drie maanden en laat daarop geen uitzonderingen toe.

Het Hof herinnert eraan dat de zin van een wetsbepaling niet kan worden omgebogen door verklaringen die aan de aanneming ervan zijn voorafgegaan, te laten voorgaan op de duidelijke tekst van die bepaling.

Door de in het geding zijnde bepaling aan te nemen, beoogde de wetgever daarentegen, enerzijds, te vermijden dat voor de hogere bedienden op het ogenblik van de opzegging van de arbeidsovereenkomst nog moet worden onderhandeld over de opzeggingstermijn met betrekking tot de dienstanciënniteit verworven op 31 december 2013 en, anderzijds, rekening te houden met de legitieme verwachtingen van de werkgever en de werknemer wat de dienstanciënniteit betreft, opgebouwd tot op die datum.

Volgens het Hof hanteert de wetgever in het licht van die doelstellingen een objectief doch geen pertinent criterium van onderscheid door niet te bepalen dat ten aanzien van de hogere bedienden die vóór 1 januari 2014 een overeenkomst over de na te leven opzeggingstermijn hebben gesloten, toepassing kan worden gemaakt van die overeenkomst voor de berekening van het eerste deel van de opzeggingstermijn, terwijl met dergelijke overeenkomsten wel rekening kan worden gehouden voor de werknemers bedoeld in artikel 68, lid 2, van de Wet Eenheidsstatuut.

Uitgaande van de vermelde doelstellingen is het evenmin pertinent om alle hogere bedienden op gelijke wijze te behandelen, ongeacht of zij vóór 1 januari 2014 al dan niet een overeenkomst met de werkgever over de na te leven opzeggingstermijnen hebben gesloten.

De uitzonderingsregeling van artikel 68, lid 3, van de Wet Eenheidsstatuut geldt immers ook voor gevallen waarin contractuele zekerheid bestaat over de na te leven opzeggingstermijnen en waarvoor zij volgens een duidelijke parlementaire voorbereiding derhalve niet was bedoeld.

4. Het Hof besluit daaruit dat artikel 68, lid 3, van de Wet Eenheidsstatuut niet verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet toelaat dat ten aanzien van de hogere bedienden, voor het berekenen van het eerste deel van de opzeggingstermijn verbonden aan de anciënniteit verworven op 31 december 2013, toepassing wordt gemaakt van een op die datum geldende opzeggingsclausule.

In die mate dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

Aangezien de vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, is het volgens het Hof, in afwachting van het optreden van de wetgever, aan de rechter om een einde te maken aan de schending van die normen.

Belang van het arrest van het Grondwettelijk Hof

Dit arrest van het Grondwettelijk Hof is interessant en verduidelijkt de bestaande rechtsonzekerheid.

Tot op heden bestonden immers verschillende interpretaties over wat moet gebeuren met de eerder gesloten opzeggingsbedingen:
  • de opzeggingsclausules moeten enkel toegepast worden voor de berekening van stap 1, ook al is de opzeggingstermijn in het opzeggingsbeding minder gunstig dan de nieuwe opzeggingstermijnen die forfaitair bepaald worden voor stap 1.
  • de opzeggingsclausules moeten zowel voor stap 1 als voor stap 2 worden toegepast, ook al zijn ze minder gunstig dan de toepassing van de nieuwe, forfaitair bepaalde opzeggingstermijnen.
  • de opzeggingsclausules moeten worden toegepast voor stap 1, en voor stap 2 als ze gunstiger zijn dan de toepassing van de nieuwe, forfaitair bepaalde opzeggingstermijnen.
  • de opzeggingsclausules moeten worden toegepast voor stap 1 en voor stap 2, als ze gunstiger zijn dan de toepassing van de nieuwe, forfaitair bepaalde opzeggingstermijnen.
  • de opzeggingsclausules zijn niet meer geldig gelet op de inwerkingtreding van de Wet Eenheidsstatuut, ook al zijn ze gunstiger voor de werknemer.
Het arrest van het Hof bevestigt dat een vóór 1 januari 2014 geldig gesloten overeenkomst betreffende de opzeggingstermijn moet worden toegepast voor de berekening van het eerste deel van de opzeggingstermijn.

Gelet op de nagestreefde doelstellingen en de nagestreefde rechtszekerheid, lijkt deze toepassing te moeten gebeuren zelfs indien de contractueel bepaalde termijn korter is dan die welke voortvloeit uit de nieuwe bepaling.

De vraag of dergelijke overeenkomsten in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van het tweede deel van de opzeggingstermijn, zoals bepaald door artikel 69 van de Wet Eenheidsstatuut, werd daarentegen niet aanhangig gemaakt bij het Hof.

Gelet op de door de nieuwe wet nagestreefde doelstellingen en het verschil tussen de in artikel 68 bepaalde regels voor de periode vóór 1 januari 2014 en de in artikel 69 bepaalde regels voor de latere periode, kan worden overwogen dat het Hof in dit opzicht niet op dezelfde manier besluit.
Bron:

Gepubliceerd op 29-11-2018

  82