Covid19-coronavirus: bezoldiging van studentenarbeid en hoedanigheid van kind ten laste: alle uren vallen onder de uitzondering

Kinderen worden als ten laste van de belastingplichtige beschouwd als ze:
  • deel uitmaken van het gezin op 1 januari van het jaar dat verwijst naar het aanslagjaar;
  • tijdens het voorafgaande jaar persoonlijk geen bestaansmiddelen hebben verkregen die hoger zijn dan een bepaald bedrag;
  • geen bezoldigingen hebben ontvangen die beroepskosten zijn voor de belastingplichtige.
We gaan dieper in op de tweede voorwaarde: om een persoon fiscaal ten laste te kunnen nemen, mag die persoon in het belastbaar tijdperk niet meer dan 1.800 euro nettobestaansmiddelen hebben gehad (3.380 euro voor aanslagjaar 2021). Dit bedrag wordt verhoogd tot 2.600 euro (4.880 euro voor aanslagjaar 2021) voor kinderen ten laste van een belastingplichtige die alleen wordt belast en tot 3.300 euro (6.200 euro voor aanslagjaar 2021 voor gehandicapte kinderen ten laste van een belastingplichtige die alleen wordt belast.

Om dat bedrag van de nettobestaansmiddelen (art. 143 WIB 92) vast te stellen moet geen rekening worden gehouden met de bezoldigingen verkregen door een student bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, tot een bedrag van 1.500 euro per jaar (2.820 euro voor het aanslagjaar 2021).
Om studenten de mogelijkheid te bieden aan de slag te gaan in kritieke sectoren zoals de grootdistributie en de voedingssector die momenteel een grote behoefte hebben aan arbeidskrachten, worden de uren die zij tijdens het tweede kwartaal presteerden, niet in rekening gebracht om na te gaan of ze het maximum van 475 uren al dan niet hebben overschreden.
Om te vermijden dat studenten door die extra prestaties te veel nettobestaansmiddelen zouden hebben om nog ten laste te blijven van hun ouders, bepaalt de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (B.S., 11 juni 2020) dat bij de vaststelling van de nettobestaansmiddelen geen rekening wordt gehouden met de bezoldigingen voor studentenarbeid die werd gepresteerd van 1 april 2020 tot 30 juni 2020.
Voor de bezoldigingen voor studentenarbeid buiten de periode van 1 april 2020 tot 30 juni 2020 blijft de normale vrijstelling van de eerste schijf van 2.820 euro van toepassing.
Maar hoe verloopt dit in de praktijk? Een administratieve circulaire licht dit toe.

Welke uren?

Het gaat om ‘de bezoldigingen verkregen door studenten zoals bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten', d.w.z.
  • de bezoldigingen verkregen in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten;
  • voor de in het tweede kwartaal van 2020 gepresteerde uren studentenarbeid, d.w.z. voor de uren studentenarbeid die werden gepresteerd van 1 april tot 30 juni 2020, ongeacht wanneer de bezoldigingen voor die gepresteerde uren zijn betaald of toegekend;
  • op voorwaarde dat hun werkgevers hen hebben aangegeven overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, d.w.z. dat de werkgever de gepresteerde uren moet hebben aangegeven bij de RSZ (DIMONA-aangifte).
Hoewel de wetgever de tewerkstelling in kritieke sectoren heeft willen bevorderen geldt de uitsluiting van de betreffende bezoldigingen uit de bestaansmiddelen ongeacht de sector waarin de studentenarbeid werd gepresteerd.

Opgelet
: Het feit dat de bezoldigingen voor studentenarbeid die werd gepresteerd in het tweede kwartaal van 2020 niet in aanmerking worden genomen als bestaansmiddelen, betekent niet dat die bezoldigingen niet belastbaar zijn.
Ook heeft de hoedanigheid van persoon ten laste een weerslag op de bedrijfsvoorheffing die van toepassing is op de bezoldigingen van de ouders.

Hoe wordt de uitsluiting in de praktijk berekend?

Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen (en dus voor het beoordelen van het toepasselijke maximumbedrag - zie hierboven) moet geen rekening worden gehouden met de eerste schijf van 2.820 euro per jaar, van het totaal van de brutobedragen van:
  • de bezoldigingen die worden verkregen door studenten in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling voor studenten;
  • de bezoldigingen die worden verkregen door leerlingen in een alternerende opleiding;
  • de winst, baten en bezoldigingen van bedrijfsleiders die worden behaald of verkregen door studenten-zelfstandigen.
De uitsluiting uit de bestaansmiddelen in het kader van ‘Covid-19’ moet vóór deze klassieke uitsluiting worden toegepast.
Ook moeten de kosten worden berekend: het nettobedrag van de bestaansmiddelen wordt verkregen door het brutobedrag ervan te verminderen met de werkelijke kosten die de belastingplichtige verantwoordt tijdens het belastbaar tijdperk te hebben gedaan of gedragen om die middelen te verkrijgen of te behouden.
Bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden de aftrekbare kosten forfaitair vastgesteld op 20% van het brutobedrag van de bestaansmiddelen met een minimum van 250 euro (470 euro voor het aanslagjaar 2021) als de bestaansmiddelen bestaan uit bezoldigingen van werknemers of uit baten.
Aangezien bezoldigingen voor studentenarbeid die werd gepresteerd in het tweede kwartaal van 2020 niet als bestaansmiddelen in aanmerking worden genomen, zijn de werkelijke kosten die werden gedaan of gedragen om die bezoldigingen te verkrijgen of te behouden, ook niet aftrekbaar. Zij mogen ook niet worden afgetrokken van het brutobedrag van andere bezoldigingen die wel als bestaansmiddelen in aanmerking worden genomen. Enkel het gedeelte van de werkelijke kosten dat betrekking heeft op de bezoldigingen die als bestaansmiddelen in aanmerking worden genomen, mag van het brutobedrag van die bestaansmiddelen worden afgetrokken.
In geval van toepassing van het kostenforfait van 20% voor bestaansmiddelen bestaande uit bezoldigingen van werknemers of uit baten, moet die omdeling niet worden toegepast aangezien het forfait alleen wordt toegepast op het brutobedrag van de bezoldigingen die als bestaansmiddelen in aanmerking worden genomen.
Voorbeeld
In 2020 heeft een jongere volgende bezoldigingen van werknemer verkregen (na aftrek van de ingehouden sociale zekerheidsbijdragen):
  • bezoldigingen verkregen in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten voor uren die hij in april, mei en juni 2020 heeft gepresteerd en die zijn werkgever in een DIMONA-aangifte heeft aangegeven: 1.500 euro;
  • bezoldigingen verkregen in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten voor uren gepresteerd buiten het tweede kwartaal van 2020: 4.000 euro;
  • bezoldigingen verkregen in het kader van een arbeidsovereenkomst voor bedienden: 3.000 euro.
3.000 euro.
Vaststelling van de nettobestaansmiddelen:
1. 1e stap: toepassing van de Covid-19-uitsluiting
Bezoldigingen verkregen in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten voor uren gepresteerd tijdens het tweede kwartaal 2020 (bruto):
  • totaal: 1.500 euro
  • uitgesloten als bestaansmiddelen: 1.500 euro
  • in aanmerking te nemen als bestaansmiddelen: 0 euro
2. 2e stap: toepassing van de ‘klassieke’ uitsluiting
Bezoldigingen verkregen in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten voor uren gepresteerd tijdens/buiten het tweede kwartaal 2020 (bruto):
  • totaal: 4.000 euro
  • uitgesloten als bestaansmiddelen: - 2.820 euro
  • in aanmerking te nemen als bestaansmiddelen: 1.180 euro
3. 3e stap: aftrek van kosten(aftrek van kosten)

Als bestaansmiddelen in aanmerking te nemen bezoldigingen:
  • bruto: 1.180 euro + 3.000 euro = 4.180 euro
  • aftrekbare kosten: 4.180 euro × 20 % = - 836 euro
  • netto: 3.344 euro
  • Aangezien het bedrag lager is dan 3.380 euro, wordt het kind als ten laste beschouwd.
     

Bron: Circulaire 2020/C/143 over de uitsluiting van de bezoldigingen voor studentenarbeid gepresteerd in het tweede kwartaal van 2020 uit de bestaansmiddelen, www.fisconetplus.be, © FOD Financiën, 19/11/2020

 

Gepubliceerd op 26-11-2020

  137