Covid-19-coronavirus: toelichting van de administratie bij de vrijstelling van SWT-bedrijfstoeslag bij werkhervatting

Om mensen in het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT) nog een extra duwtje in de rug te geven om het werk te hervatten, bepaalt de programmawet (I) van 26 december 2015 (B.S., 30 december 2015, 2e ed.) dat de bedrijfstoeslag en de aanvullende vergoeding die worden toegekend voor periodes van werkhervatting bij een andere dan de vroegere werkgever of van werkhervatting als zelfstandige, worden vrijgesteld van inkomstenbelastingen (artikel 38, § 1, lid, 31°, WIB 92).

Die vrijstellingsregeling werd tijdelijk uitgebreid in het kader van de gezondheidscrisis ten gevolge van Covid-19 door de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de Covid-19 pandemie (B.S., 11.06.2020).
Een circulaire licht deze tijdelijke vrijstelling toe.
Werklozen met bedrijfstoeslag konden in de maanden april, mei en juni 2020 het werk tijdelijk hervatten in een vitale sector met behoud van een deel van hun werkloosheidsuitkeringen (art. 3 van het KB werkloosheid). Het kan ook gaan om tewerkstelling bij de vroegere werkgever (art. 3, § 2 van het KB werkloosheid).
De nieuwe wet stelt een dergelijke periode van werkhervatting door een werkloze met bedrijfstoeslag bij de vroegere werkgever gelijk met een periode van werkhervatting bij een andere werkgever. Op die manier kunnen de bedrijfstoeslag en de eventuele aanvullende vergoedingen die die vroegere werkgever moet betalen vrijgesteld worden van inkomstenbelastingen.
Met vitale sectoren worden de werkgevers bedoeld die ressorteren onder de volgende paritaire comités:
  • PC voor de landbouw nr. 144, voor zover de werknemer uitsluitend wordt tewerkgesteld op de eigen gronden van de werkgever;
  • PC voor het tuinbouwbedrijf nr. 145, met uitzondering van de sector inplanting en onderhoud van parken en tuinen;
  • PC voor het bosbouwbedrijf nr. 146;
  • PC voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren nr. 322, voor zover de uitzendarbeider wordt tewerkgesteld bij een gebruiker in één van de bovengenoemde sectoren.
Op die manier kunnen de bedrijfstoeslagen en de eventuele aanvullende vergoedingen die verplicht worden doorbetaald door die vroegere werkgever die werkzaam is in een vitale sector en die betrekking hebben op die periode van werkhervatting vrijgesteld worden van inkomstenbelastingen.
De tewerkstellingsmaatregel die werklozen in SWT toeliet het werk te hervatten in een vitale sector (eventueel bij de vroegere werkgever) met behoud van een deel van hun werkloosheidsuitkeringen was slechts van toepassing voor de maanden april, mei en juni 2020.
Bijgevolg kan enkel de werkhervatting bij de vroegere werkgever tijdens de maanden april, mei en juni 2020 worden gelijkgesteld met een periode van werkhervatting bij een andere werkgever. Dus enkel de bedrijfstoeslagen en de eventuele aanvullende vergoedingen die verplicht worden doorbetaald door die vroegere werkgever voor de maanden april, mei en juni 2020 kunnen worden vrijgesteld van inkomstenbelastingen. Op te merken valt dat voor de toepassing van de fiscale vrijstelling van de bedrijfstoeslag en de eventuele aanvullende vergoeding de 'matching' moet gebeuren op basis van de periode waarvoor de vergoeding wordt toegekend, en niet op basis van de periode waarin de vergoeding wordt toegekend.
Bron:Circulaire 2020/C/101 over de fiscale vrijstelling van de bedrijfstoeslag en de aanvullende vergoeding bij werkhervatting – werkhervatting bij de vroegere werkgever – maatregelen COVID-19 pandemie, www.fisconetplus.be, © FOD Financiën, 15/07/2020

Gepubliceerd op 20-07-2020

  117