COVID-19-coronavirus: tijdelijke vrijstelling van doorstorting van BV

Een nieuwe vrijstelling van doorstorting is van toepassing op werkgevers die bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn op grond van artikel 270, 1° van het WIB 92 en die tussen 12 maart 2020 en 31 mei 2020 gedurende een ononderbroken periode van minstens een maand (30 dagen) gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid.

Een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen moet worden begrepen als een periode van 30 opeenvolgende dagen, zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen inbegrepen.

Vrijstelling voor drie maanden

De vrijstelling geldt voor de lonen van juni, juli en augustus 2020.
Voor elk van de maanden juni, juli en augustus 2020 is de bedrijfsvoorheffing die niet hoeft te worden doorgestort gelijk aan 50% van het verschil tussen enerzijds de totale kost aan bedrijfsvoorheffing die voor die maand op de bezoldigingen is verschuldigd en anderzijds de totale kost aan bedrijfsvoorheffing die op de bezoldigingen is verschuldigd voor de referentieperiode, met name mei 2020, zonder dat die vrijstelling in de loop van die drie maanden hoger mag zijn dan 20 miljoen euro.
Onder belastbare bezoldigingen moet zowel voor de referentiemaand als voor de maanden juni, juli en augustus worden verstaan: de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen. Bijgevolg komen ook opzegvergoedingen niet in aanmerking voor de toepassing van het belastingvoordeel
Wat het vakantiegeld betreft, komt enkel het dubbel vakantiegeld in aanmerking.
Voorbeeld 1
Kost BV mei 2020: 1.000 euro
Kost BV juni 2020: 1.500 euro
De bedrijfsvoorheffing die in juni 2020 niet hoeft te worden doorgestort bedraagt:
1.500 – 1.000 = 500 × 50% = 250 euro
Voorbeeld 2
Kost BV mei 2020: 1.000 euro
Kost BV juli 2020: 1.800 euro
De bedrijfsvoorheffing die in juli 2020 niet hoeft te worden doorgestort bedraagt:
1.800 – 1.000 = 800 × 50% = 400 euro

Berekening na toepassing van de andere vrijstellingsmaatregelen

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt berekend op de massa aan verschuldigde bedrijfsvoorheffing na toepassing van alle andere maatregelen van vrijstelling van bedrijfsvoorheffing.
Wanneer de bedrijfsvoorheffing die een werkgever nog verschuldigd is na toepassing van alle andere maatregelen inzake niet-doorstorten van bedrijfsvoorheffing onvoldoende is om het bedrag in mindering te brengen, kan het saldo worden overgedragen naar elk van de volgende periodes waarvoor bedrijfsvoorheffing verschuldigd is en daar in mindering worden gebracht. Die overdracht is enkel mogelijk binnen hetzelfde kalenderjaar.

Beperking tot bedrijven die zwaar getroffen zijn door de crisis

Door middel van een amendement is de maatregel beperkt tot bedrijven die hard zijn getroffen door de crisis.
Zo zal de vrijstelling, naast het gebruik van tijdelijke werkloosheid voor een ononderbroken periode van 30 dagen, beperkt blijven tot werkgevers die tegelijkertijd aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:
  • In de periode van 14 maart 2020 tot 30 april 2020 is de omzet met ten minste 30% gedaald ten opzichte van dezelfde periode in 2019;
  • de werkgever heeft voor ten minste 30 % van zijn werknemers gebruik gemaakt van de regeling voor tijdelijke werkloosheid.

Uitsluiting van bepaalde vennootschappen

Vennootschappen worden uitgesloten van de maatregel wanneer ze een inkoop van eigen aandelen of een kapitaalvermindering verrichten of dividenden betalen of toekennen in de periode van 12 maart 2020 tot 31 december 2020.
Met dividenden worden onder meer bedoeld de gewone dividenduitkeringen, de verdeling ten gevolge van overlijden, uittreding of uitsluiting van een vennoot, de liquidatiebonus bij vereffening en de uitkering van liquidatiereserves. Onder kapitaalverminderingen moeten zowel de terugbetalingen van het gestort kapitaal als de terugbetalingen van met kapitaal gelijkgestelde bedragen worden verstaan.
Tot slot worden vennootschappen uitgesloten die een deelneming aanhouden in een vennootschap die gevestigd is in een belastingparadijs of die betalingen aan dergelijke vennootschappen verrichten, behalve wanneer deze betalingen worden gerechtvaardigd op grond van de criteria in artikel 194septies/1, § 3, 4°, WIB 92.
Bron: artikel 2 van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (CORONA III), BS 23 juli 2020
 

Gepubliceerd op 24-07-2020

  69