COVID-19-coronavirus: formaliteiten voor tijdelijke vrijstelling van doorstorting van BV

Een nieuwe vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing werd ingevoerd door de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) (B.S.., 23 juli 2020) voor werkgevers die op grond van artikel 270, 1° van het WIB 92 schuldenaar zijn van bedrijfsvoorheffing en die gedurende een ononderbroken periode van minstens een maand (30 dagen) tussen 12 maart 2020 en 31 mei 2020 gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid (zie ‘COVID-19-coronavirus: tijdelijke vrijstelling van doorstorting van BV: hier is het administratief commentaar al’).

Een KB legt de formaliteiten op die vervuld moeten worden voor de toepassing van de vrijstelling.
De werkgevers moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing indienen.
De eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan alle werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:
  • in het vak ‘belastbare inkomsten’: de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;
  • in het vak ‘verschuldigde bedrijfsvoorheffing’: de ingehouden bedrijfsvoorheffing.
De tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers waarvoor een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moet worden gestort en moet, afhankelijk van de schuldenaars, de volgende specifieke vermeldingen bevatten:
  •  in het vak ‘aard der inkomsten’: de code ‘71 COVID-19’;
  •  in het vak ‘belastbare inkomsten’: de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het WIB 92 vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen die voor die periode werden betaald;
  •  in het vak ‘verschuldigde bedrijfsvoorheffing’: een negatief bedrag gelijk aan 50% van het positieve verschil tussen:
    • enerzijds, het saldo van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing op de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het WIB 92 vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen, na toepassing van de vrijstellingen beoogd in de artikelen 275/1 tot 275/11 van hetzelfde WIB 92, voor de maanden juni 2020, juli 2020 of augustus 2020; en
    • anderzijds het saldo van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing op de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het WIB 92 vastgestelde belastbare bezoldiging van de werknemers, met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen, na toepassing van de vrijstellingen beoogd in de artikelen 275/1 tot 275/11 van hetzelfde Wetboek, voor de maand mei 2020.
De schuldenaar van de BV moet de volgende gegevens ter beschikking houden van de administratie:
  • de volledige identiteit van elke werknemer;
  • in voorkomend geval, het nationaal nummer;
  • het bedrag van de bruto belastbare bezoldigingen bedoeld in artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het WIB 92, met uitzondering van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldiging betaald voor de maand mei en voor de maand waarvoor de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing wordt gevraagd;
  • het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en de gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing, na toepassing van de vrijstellingen voorzien in de artikelen 275/1 tot 275/11 van het WIB 92 voor de maand mei 2020;
  • het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en de gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing, na toepassing van de vrijstellingen voorzien in de artikelen 275/1 tot 275/11 van het WIB 92, voor de maanden juni 2020, juli 2020 of augustus 2020;
  • het bewijs dat hij tussen 12 maart 2020 en 31 mei 2020, beide data inbegrepen, gedurende een ononderbroken periode van ten minste 30 kalenderdagen gebruik heeft gemaakt van de tijdelijke werkloosheidsregeling.
Het KB heeft uitwerking op de vanaf 1 juni 2020 betaalde of toegekende bezoldigingen.
Bron: koninklijk besluit van 22 augustus 2020 houdende uitvoering van artikel 2, achtste lid, van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III), met betrekking tot de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, B.S., 31 augustus 2020

Gepubliceerd op 03-09-2020

  83