Covid-19-Coronavirus: belastingvrijstelling van de door gewesten, gemeenschappen, provincies en gemeenten toegekende vergoedingen

De wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (B.S., 11 juni 2020) bepaalt dat de vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische gevolgen die belastingplichtigen ondervinden naar aanleiding van de toepassing van de ministeriële besluiten van 13 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken en 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische gevolgen die belastingplichtigen ondervinden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie, van inkomstenbelastingen zijn vrijgesteld.

De Administratie lichtte deze vrijstelling onlangs toe.
Deze vrijstellingsmaatregel geldt zowel voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen.
De vrijstelling wordt enkel toegekend onder de volgende voorwaarden:
  • de vergoeding vormt geen directe of indirecte vergoeding in ruil voor de levering van goederen of het verlenen van diensten;
  • in de regeling op grond waarvan de vergoeding wordt verleend, is uitdrukkelijk bepaald dat die vergoeding wordt verleend om het hoofd te bieden aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie;
  • de vergoeding wordt betaald of toegekend tussen 15 maart 2020 en 31 december 2020.
De volgende voorbeelden worden aangehaald:
  • de Vlaamse premies van 4.000, 2.000 en 160 euro, de Brusselse premie van 4.000 euro en de Waalse premies van 5.000 en 2.500 euro aan bedrijven als inkomenscompensatievergoeding voor sluiting;
  • de forfaitaire vergoeding van 202,68 euro van het Vlaamse Gewest tot dekking van de kosten voor elektriciteitsverbruik, verwarming en waterverbruik voor de eerste maand van tijdelijke werkloosheid ten gevolge van de coronaviruscrisis;
  • de vergoedingen die in het kader van de maatregelen van de Vlaamse, de Franse en de Duitstalige Gemeenschap aan organisatoren van kinderopvang en aangesloten onthaalouders zijn toegekend als compensatie voor de afwezigheidsdagen van kinderen.

Als de begunstigde een vennootschap is, moeten de vergoedingen in principe door de vennootschap als opbrengsten in het resultaat worden opgenomen tijdens het belastbare tijdperk dat ze worden verkregen.

De vrijstelling ervan gebeurt door een verhoging van de begintoestand van de reserves.
Als de begunstigde een natuurlijk persoon is, hoeft hij de vrijgestelde bedragen niet op te nemen in zijn aangifte in de PB of BNI/PB. De vergoeding zal wel worden vermeld op de berekeningsnota bij het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2021. Op die manier kan er voor de toekenning van inkomensafhankelijke voordelen gemakkelijker met die vrijgestelde vergoedingen rekening worden gehouden. De entiteiten die deze vergoedingen toekennen moeten de FOD Financiën daarvoor de nodige informatie bezorgen.
Bron:Circulaire nr. 2020/C/130 over de vrijstelling van vergoedingen van gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten ingevolge COVID-199, www.fisconetplus.be, © FOD Financiën, 21/10/2020
 

Gepubliceerd op 03-11-2020

  57