Covid-19-coronavirus: bedrijfsvoorheffing op tijdelijke aanvullende ZIV-uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid

Een wet van 24 juni 2020 (B.S., 2 juli 2020) trok het bedrag van de primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering tijdelijk op tot 70% van het gederfde loon (vervangingsratio). Diezelfde wet voerde een minimumuitkering in (die momenteel niet bestaat bij primaire arbeidsongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden) van 55,59 euro per dag, verhoogd met een aanvulling van 5,63 euro per dag (wat dus neerkomt op een totaal van 61,22 euro per dag).

Dit minimumbedrag stemt overeen met dat van uitkeringen tijdelijke werkloosheid in het kader van corona. De bedoeling is dat iedereen die tijdens de crisisperiode ziek wordt kan rekenen op dezelfde bescherming als wie tijdelijk werkloos is wegens het coronavirus.
De wet treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 1 maart 2020 en is van toepassing op arbeidsongeschiktheden die ten vroegste vanaf die datum ingaan. De verzekeringsinstellingen moeten de aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering uiterlijk op 1 november 2020 betalen voor de periode van primaire arbeidsongeschiktheid die aan de betaaldatum voorafgaat.
Maar welke bedrijfsvoorheffing moet worden ingehouden op die aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen? Een koninklijk besluit vereenvoudigt de bestaande regeling.
Wanneer wettelijke of extrawettelijke vergoedingen betaald of toegekend als schadeloosstelling van een tijdelijke derving van bezoldiging, bijvoorbeeld bij ongeval, ziekte, invaliditeit of andere soortgelijke gebeurtenissen, zonder tussenkomst van de werkgever, door een verzekeringsinstelling of door een andere instelling of een andere tussenpersoon aan de verkrijger worden betaald is in principe het tarief van 11,11% of 22,20% (zonder vermindering) van toepassing naargelang het gaat om wettelijke of om extrawettelijke vergoedingen.
De tegen 11,11% berekende bedrijfsvoorheffing mag er echter niet toe leiden dat het bedrag van de uiteindelijk verschuldigde uitkering minder bedraagt dan het bedrag van de minimuminvaliditeitsuitkering vermeld in artikel 93bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994. Deze laatste regel maakt de inhouding van de bedrijfsvoorheffing op de tijdelijke aanvullende primaire ongeschiktheidsuitkeringen erg complex en moeilijk implementeerbaar voor de uitkeringsinstellingen.
Daarom besliste het nieuwe KB om altijd 11,11% bedrijfsvoorheffing in te houden op de tijdelijke aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, wanneer dat percentage in principe van toepassing is op de gewone uitkeringen.
Het KB heeft uitwerking vanaf 24 juni 2020 en is van toepassing op de aanvullende uitkeringen die vanaf diezelfde datum worden betaald of toegekend.
Bron: Koninklijk besluit van 9 juli 2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op de wettelijke uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid van werknemers, B.S., 15 juli 2020

Gepubliceerd op 20-07-2020

  137