Coronavirus Covid-19 - Verhoging van het aantal vrijwillige overuren in de kritieke sectoren

Het basiscontingent vrijwillige overuren, dat een werknemer kan presteren op grond van artikel 25bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971, wordt in het vierde kwartaal van 2020 (oktober, november en december) en het eerste kwartaal van 2021 (januari, februari, maart) opgetrokken tot 220 uren bij de werkgevers die tot de cruciale sectoren behoren.

Het gaat hier om de handelszaken, private en publieke bedrijven en diensten die personeel tewerkstellen en die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de vitale belangen van de Natie en de behoeften van de bevolking als bedoeld in het raam van de door de Minister van Binnenlandse Zaken genomen dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, alsook de producenten, leveranciers, aannemers en onderaannemers van goederen, werken en diensten die essentieel zijn voor de activiteit van deze ondernemingen en deze diensten.
Deze maatregel houdt in dat tijdens het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021 een regeling geldt van 100 vrijwillige overuren (als basiscontingent) + 120 vrijwillige overuren (als bijkomend contingent) = totaal 220 vrijwillige overuren. Het getal van 220 vrijwillige overuren is dus de bovengrens.
De bijkomende vrijwillige overuren die, in toepassing van artikel 2 van het Bijzondere-machtenbesluit nr. 14 al werden gepresteerd tijdens de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020, worden wel in mindering gebracht van het bijkomend contingent van 120 vrijwillige overuren die in toepassing van deze nieuwe maatregel kunnen worden gepresteerd tijdens het laatste kwartaal van 2020. Indien bijvoorbeeld tijdens de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020 al 60 bijkomende vrijwillige overuren werden gepresteerd, kunnen er nog 60 (=120-60) bijkomende vrijwillige overuren worden gepresteerd in het laatste kwartaal van 2020. Een nieuw quotum van 120 bijkomende vrijwillige overuren is gepland voor het eerste kwartaal van 2021.
Het bijkomend contingent vrijwillige overuren dat wordt gepresteerd tijdens het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021 moet niet worden ingehaald door middel van inhaalrust en telt niet mee voor de toepassing van de interne grens van overuren (d.w.z. het maximaal aantal overuren dat een werknemer op een gegeven moment mag gepresteerd hebben). De vrijwillige overuren van het bijkomend contingent geven evenmin recht op de betaling van overloon.
Gedurende het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021 kunnen werknemer en werkgever zelf bepalen of zij gebruik wensen te maken van het basiscontingent of van het bijkomend contingent. De vrijwillige overuren die tijdens het vierde kwartaal van 2020 of het eerste kwartaal van 2021 worden gepresteerd mogen dus eerst worden aangerekend op het bijkomend contingent. Wanneer de overuren van het bijkomend contingent zijn uitgeput, kan dan desgewenst nog gebruik gemaakt worden van de (resterende) overuren uit het basiscontingent.
Aan het presteren van overwerk is wel een plafond gesteld: met name mag de Europese bovengrens van de arbeidsduur (48 uur gemiddeld per week, berekend over een periode van 4 maanden) niet worden overschreden. Bovendien mogen de arbeidsprestaties niet meer dan 11 uur per dag en 50 uur per week bedragen.
Geldigheid: van 1 oktober 2020 tot 1 april 2021. Mogelijkheid tot verlenging.
Bron:

Gepubliceerd op 13-01-2021

  21