Coronavirus COVID-19 - Studentenarbeid: uren tweede kwartaal 2020 vallen buiten ‘475 uren-contingent’ en zijn vrij van bedrijfsvoorheffing

De uren die jobstudenten presteren in april, mei en juni 2020 worden niet in rekening gebracht voor de berekening van het ‘jaarlijks contingent van 475 uren’ van de jobstudent dat niet onderworpen is aan socialezekerheidsbijdragen. Dit omdat studenten aan de slag zouden kunnen gaan in sectoren die als gevolg van de Covid-19-pandemie een grote behoefte hebben aan arbeidskrachten.
Studenten krijgen elk kalenderjaar van de overheid een pakket van 475 uren (‘contingent’) waarin ze minder sociale bijdragen betalen dan een gewone werknemer.
Via Student@work kunnen ze nagaan hoeveel uren ze nog over hebben. Ze mogen meer dan 475 uren werken, maar dan worden de sociale bijdragen hoger vanaf het 476ste gewerkte uur. 
Op de bezoldigingen voor deze niet in rekening gebrachte uren studentenarbeid is ook geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd.
Een KB van 18 mei 2020 voegt deze nieuwe maatregelen toe aan de toepassingsregels van bijlage III bij het KB/WIB 1992 (nieuw 2de lid, nr. 2.22 ‘Studenten’; art. 1, KB 18 mei 2020).
Het KB van 18 mei 2020 heeft uitwerking vanaf 1 april 2020.
Bron:Koninklijk besluit van 18 mei 2020 tot wijziging van de bijlage III van het KB/WIB 1992 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing op bezoldigingen voor studentenarbeid, BS 26 mei 2020.

Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS, 13 september 1993 (KB/WIB 1992) (Toepassingsregels, bijlage III : ‘Schalen en regels die van toepassing zijn om de bedrijfsvoorheffing vast te stellen bij de bron verschuldigd op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2020 (KB/WIB 1992, art.88)’)

Gepubliceerd op 27-05-2020

  142