Coronavirus Covid 19 – Tijdelijke vrijstelling van doorstorting van BV: enkele ophelderingen via FAQ

De wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) (B.S., 23 juli 2020) heeft een nieuwe vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ingevoerd voor werkgevers die bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn in toepassing van artikel 270, 1° van het WIB92 en gedurende een ononderbroken periode van ten minste één maand (30 dagen) tussen 12 maart 2020 en 31 mei 2020 een beroep hebben gedaan op het systeem van tijdelijke werkloosheid.

Onlangs werden een aantal FAQ gepubliceerd die een en ander verduidelijken. We halen er de voornaamste punten voor u uit.

Tijdelijke werkloosheid gedurende een ononderbroken periode van één maand (30 dagen) tussen 12 maart 2020 en 31 mei 2020

Een ononderbroken periode van ten minste 30 kalenderdagen moet worden begrepen als een periode van 30 opeenvolgende dagen, zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen inbegrepen. Wanneer een wettelijke feestdag wordt vervangen, dan onderbreekt deze vervangende feestdag de periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid niet.
Voor de berekening van deze 30 dagen zijn de data “12 maart” en “31 mei” inbegrepen (FAQ nr. 2).
De ADV-dagen onderbreken de periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid niet. Hetzelfde geldt voor de dagen van collectieve sluiting (FAQ nr. 4).
De individuele verlofdagen daarentegen onderbreken de periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid. Hetzelfde geldt wanneer een werknemer ziek geworden is of, bijvoorbeeld, ouderschapsverlof heeft genomen: de ziektedagen en het ouderschapsverlof onderbreken eveneens de periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid (FAQ nr. 4).

Alle stelsels van tijdelijke werkloosheid
komen in aanmerking (tijdelijke werkloosheid wegens overmacht, om economische redenen, wegens slecht weer, wegens technische stoornis …) (FAQ nr. 3).
Om beschouwd te worden als een werkgever die gebruik heeft gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid, is vereist, maar volstaat het, dat gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen ten minste één werknemer van de onderneming tijdelijk werkloos werd gesteld, zonder dat dit noodzakelijk dezelfde persoon moet zijn (FAQ nr. 4).
Quid met de uitzendkrachten? Een werkgever die zelf geen erkende onderneming voor uitzendarbeid is en een beroep doet op uitzendkrachten houdt, bij de beoordeling van de voorwaarde “gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid”, enkel rekening met zijn werknemers en niet met die uitzendkrachten. Een werkgever die zelf een erkende onderneming voor uitzendarbeid is houdt, bij de beoordeling van de voorwaarde “gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid”, ook rekening met zijn uitzendkrachten die hij bij de gebruikers heeft tewerkgesteld (FAQ nr. 5).

Bezoldigingen die in aanmerking komen voor de vrijstelling

Zowel voor de referentiemaand (mei 2020) als voor de maanden juni, juli en augustus 2020 zijn de in aanmerking komende bezoldigingen de wedden en lonen van de werknemers alsook de voordelen van alle aard die ze hebben verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid met uitzondering van het dubbel vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen, de vergoedingen verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het stopzetten van de arbeid of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst en de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen.
De bezoldigingen toegekend door een buitenlandse vennootschap die verbonden is met de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing en waarop overeenkomstig artikel 270, 2e lid, WIB92 bedrijfsvoorheffing is verschuldigd, komen eveneens in aanmerking.
De bezoldigingen van de bedrijfsleiders komen niet in aanmerking voor deze steunmaatregel (FAQ nr. 7).

Berekeningswijze van de vrijstelling

Voor elk van de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 bedraagt de bedrijfsvoorheffing die niet moet worden doorgestort 50 % van het positieve verschil tussen, enerzijds, de totaal verschuldigde bedrijfsvoorheffing voor die maand op de in aanmerking komende bezoldigingen en, anderzijds, het totaal van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing voor de maand mei 2020 (referentieperiode) op de in aanmerking komende bezoldigingen (FAQ nr. 6).
De vrijstelling wordt berekend op het totaal van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de in aanmerking komende bezoldigingen van alle werknemers, na toepassing van de overige vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing (beoogd in de artikelen 275/1 tot 275/11, WIB92).
Deze vrijstelling kan dus worden toegepast in combinatie met de vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikelen 275/1 tot 275/11 van het WIB92 (FAQ nr. 8).

Werkgevers uit de non-profitsector en sociale Maribel

De werkgevers van werknemers die onder het toepassingsgebied van de sociale Maribel vallen, moeten aan de bevoegde ontvanger der belastingen een bedrag storten dat overeenstemt met drie vierden van de vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing waarop zij recht hebben overeenkomstig artikel 275/7, 3e lid, b, 3°, WIB92 en wel op hetzelfde moment dat ze de bedrijfsvoorheffing in de Schatkist moeten storten.
Dit heeft geen impact op de berekening van de steunmaatregel.
Bron: Circulaire 2020/C/135 over de tijdelijke vrijstelling van doorstorting van de BV omwille van COVID-19 pandemie – invoering van een specifieke maatregel voor werkgevers die gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid – FAQ, www.fisconetplus.be, © FOD Financiën, 05/11/2020

Gepubliceerd op 24-11-2020

  159