Coronavirus Covid-19: tijdelijke versoepeling op het vlak van de voorafbetalingen

Een nieuwe wet voorziet in een versoepeling van de regeling van de voorafbetalingen, met name voor de zelfstandigen en de vennootschappen.

Voor de zelfstandigen gaat het, meer bepaald, om de uitbaters van handels-, industriële en landbouwbedrijven, houders van vrije beroepen of andere winstgevende bezigheid en bedrijfsleiders; maar voor de bedrijfsleiders is de beoogde regeling van de voorafbetalingen enkel van toepassing op de belasting die losstaat van de verplichte inhouding van bedrijfsvoorheffing.
De regeling van de voorafbetalingen voorziet in de toepassing van een belastingvermeerdering op de belasting op het beroepsinkomen in de mate dat er geen of ontoereikende voorafbetalingen van die belasting zijn gebeurd.
Het bedrag van die belastingvermeerdering verschilt naargelang het om natuurlijke personen dan wel vennootschappen gaat. Het hangt ook af van het tijdstip waarop de voorafbetalingen verricht zijn.
Hoe vroeger op het jaar ze gedaan worden, hoe groter de “bonificatie”.
Voor de natuurlijke personen is het verhogingspercentage gelijk aan de ‘basisrentevoet’ vermenigvuldigd met 2,25. Het basistarief kan nooit lager zijn dan 1%.
Voor 2020 zijn de voordelen verbonden aan de VA per kwartaal de volgende:
  • VA 1 (10.04): 3% (1% × 3)
  • VA 2 (10.07): 2,5% (1% × 2,5)
  • VA 3 (10.10): 2% (1% × 2)
  • VA 4 (20.12): 1,5% (1% × 1,5)

Voor de vennootschappen bedraagt het referentietarief 3%, wat betekent dat het verhogingspercentage 6,75% bedraagt voor het aj. 2021 (inkomsten 2020).
Voor 2020 zijn de voordelen verbonden aan de VA per kwartaal de volgende:
  • VA 1 (10.04): 9% (3% × 3)
  • VA 2 (10.07): 7,5% (3% × 2,5)
  • VA 3 (10.10): 6% (3% × 2)
  • VA 4 (20.12): 4,5% (3% × 1,5)

Heel wat ondernemingen die in aanmerking komen voor de maatregelen getroffen in het kader van de Covid-19-pandemie hebben wellicht onvoldoende liquiditeiten om hun voorafbetalingen in april of juli 2020 te verrichten.

Vermeerdering van het bonificatiepercentage voor het laatste kwartaal

Om te vermijden dat ondernemingen die de belasting voor het inkomstenjaar 2020 (boekjaar dat overeenstemt met een kalenderjaar) pas in oktober en/of december 2020 kunnen vooraf betalen, en daardoor geconfronteerd worden met een aanzienlijke verhoging wegens ontoereikende voorafbetalingen, zal een verhoogd percentage toegepast worden voor de voorafbetalingen van hun derde en vierde kwartaal die respectievelijk ten laatste op 10 oktober 2020 en 20 december 2020 verricht worden. Dat percentage zal gelijk zijn aan dat van de vermeerdering zelf voor de voorafbetalingen die uiterlijk op 10 oktober 2020 (2,25% in de personenbelasting en 6,75% in de vennootschapsbelasting) verricht worden en 7/9 (1,75/2,25) van dat percentage voor de voorafbetalingen die uiterlijk op 20 december 2020 (1,75% in de personenbelasting en 5,25% in de vennootschapsbelasting) verricht worden. Op die manier zal de vermeerdering ook beperkt worden voor de belastingplichtigen die pas over voldoende liquiditeiten beschikken om hun voorafbetalingen in december 2020 te verrichten.
Deze versoepeling zal geen impact hebben op de berekening van de bonificatie in de regeling van de vrijwillige voorafbetalingen (regeling die geldt voor de natuurlijke personen in geval van voorafbetalingen van belastingen die geen aanleiding kunnen geven tot een belastingvermeerdering).

Gebroken boekjaar

Deze regeling voor de vennootschappen die per kalenderjaar afsluiten zal op dezelfde wijze toegepast worden op de vennootschappen waarvan het “gebroken” boekjaar afgesloten wordt tussen 30 september 2020 en 31 januari 2021. Zij zullen dus eveneens aanspraak kunnen maken op de versoepeling van de voorafbetalingen die gekoppeld zijn aan het derde en vierde kwartaal van het boekjaar en uiterlijk op de tiende dag van de tiende maand van het boekjaar en op de twintigste dag van de laatste maand van het boekjaar verricht worden.

Uitsluitingen

Vermits de versoepelingsmaatregel de ondernemingen beoogt die liquiditeitsproblemen hebben, zijn de ondernemingen die overgaan tot een inkoop van hun eigen aandelen of een kapitaalvermindering of die dividenden betalen of toekennen in de periode van 12 maart 2020 tot de laatste dag van hun boekjaar uitgesloten.
De versoepeling van de voorafbetalingen geldt evenmin voor de ondernemingen die, tijdens de periode van 12 maart 2020 tot de laatste dag van het betrokken belastbare tijdperk, een variabele bezoldiging uitbetalen aan sommige bedrijfsleiders.
We stippen nog aan dat er een probleem is met de verwijzing naar deze uitsluiting. De wet verwijst immers naar de personen beoogd in “artikel 3:6, § 3, tweede lid, 6° van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”. Het gaat hier om de volgende personen: “de hoofdvertegenwoordiger van de uitvoerende bestuurders, [...] de voorzitter van de directieraad, [...] de hoofdvertegenwoordiger van de andere leiders of [...] de hoofdvertegenwoordiger van de personen belast met het dagelijks bestuur”. Het probleem is dat dit artikel (3:6, § 3, WVV) intussen vervangen werd door artikel 30, 2° van de herstelwet van 28 april 2020 (B.S., 6 mei 2020). Lid 2, 6° bestaat niet meer. Een nieuwe herstelwet in het verschiet?
Tot slot een laatste uitsluiting: de versoepeling op het vlak van de voorafbetalingen geldt evenmin voor de ondernemingen die, tijdens de periode van 12 maart 2020 tot de laatste dag van het betrokken belastbare tijdperk, een rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap die in een belastingparadijs gevestigd is of die, tijdens diezelfde periode, betalingen in bepaalde voorwaarden gedaan hebben aan vennootschappen die in belastingparadijzen gevestigd zijn.
Bron: art 7 wet van 29 mei houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, B.S., 11 juni 2020

Gepubliceerd op 19-06-2020

  1083