Coronavirus COVID-19: Tariefverlaging bedrijfsvoorheffing voor tijdelijke werkloosheidsuitkeringen

Werkloosheidsuitkeringen in het kader van tijdelijke werkloosheid worden fiscaal niet anders behandeld dan gewone werkloosheidsuitkeringen.

Deze werkloosheidsuitkeringen en eventuele aanvullende vergoedingen zijn in de inkomstenbelasting belastbaar tegen het progressief tarief, met toepassing van een belastingvermindering.
Deze belastingvermindering, waarvan het bedrag is vastgesteld op 1.828,41 EUR, is echter degressief in functie van een aantal factoren, met name van de hoogte van het geheel aan inkomsten van de belastingplichtige.
Wanneer werkloosheidsuitkeringen en aanvullende vergoedingen slechts een klein deel uitmaken van het totale belastbaar inkomen (beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten, diverse inkomsten), dan is de belastingvermindering heel beperkt, of zelfs onbestaande.
Als het geheel van de inkomsten hoger is dan 29.600 EUR, dan is er bovendien geen belastingvermindering meer.
Werkloosheidsuitkeringen en aanvullende vergoedingen worden onderworpen aan een bedrijfsvoorheffingstarief van 26,75 %. Die bedrijfsvoorheffing wordt ingehouden op het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen en aanvullende vergoedingen. De belastingplichtige ontvangt dus het bedrag van de werkloosheidsuitkering en de aanvullende vergoeding, verminderd met de bedrijfsvoorheffing.
Een nieuwe wet verlaagt deze bedrijfsvoorheffing naar 15%.
Deze maatregel wordt als volgt gerechtvaardigd “De vermindering van de bedrijfsvoorheffing aan een lineair tarief van 15% laat toe om een rechtstreekse koopkrachtinjectie van 187 euro per maand te voorzien voor de zwakste inkomens die momenteel een tijdelijke werkloosheidsuitkering genieten. Voor de meeste betrokken personen zal dergelijke vermindering niet leiden tot de betaling van een aanvullend bedrag bij de definitieve belastingafrekening. In het beperkte aantal gevallen waar dit toch het geval zou zijn, biedt deze vermindering minstens extra zuurstof tijdens deze crisisperiode” (Doc. Parl. Kamer, zittingsperiode 2020-2021, nr. 56 -1174/003, p. 10).
Deze stelling moeten we met het nodige scepticisme interpreteren. Volgens onze inschatting is het immers mogelijk dat veel mensen geconfronteerd zullen worden met een belastingverhoging bij de ontvangst van het aanslagbiljet.
De bedrijfsvoorheffing is slechts een voorafname van de definitief verschuldigde inkomstenbelasting en wordt daarmee verrekend. Het is dus niet zo dat het tarief van de bedrijfsvoorheffing volledig overeenstemt met het belastingtarief dat uiteindelijk op die vergoedingen toegepast zal worden. De belastingplichtige zal echter pas de (vaak gepeperde) eindafrekening kennen wanneer hij het aanslagbiljet voor aanslagjaar 2021 ontvangt. Een raming zal pas in de lente van 2021 mogelijk zijn. Rekening houdend met het feit dat de belastingvermindering vaak geneutraliseerd wordt omwille van verkregen professionele inkomsten tijdens andere maanden van het jaar, mag men verwachten dat de gemiddelde aanslagvoet voor vele gezinnen in het algemeen hoger dan 15% zal zijn.
 
Bron:

Gepubliceerd op 12-06-2020

  295