Coronavirus COVID-19: inkomsten van tewerkstelling in vitale sector niet meegeteld in bestaansmiddelen leefloon

Bij de berekening van de bestaansmiddelen voor het leefloon zal geen rekening worden gehouden met bezoldigingen van een tewerkstelling in een “vitale sector” (land-, tuin-, bosbouw) tijdens de coronacrisis.
De Regering-Wilmès II heeft de bezoldiging toegevoegd aan de lijst ‘vrijgestelde bestaansmiddelen’ in het KB van 11 juli 2002 Algemeen Reglement recht op maatschappelijke integratie. Een tegemoetkoming voor werkgevers uit de vitale sectoren die voornamelijk seizoenarbeiders en lagergeschoolden tewerkstellen in de hoop dat ze hierdoor gemakkelijker extra krachten kunnen aanwerven. De maatregel heeft retroactief uitwerking vanaf 1 april 2020 en treedt buiten werking op 31 mei 2020.
Maar de regering gaat nog verder. Ze verruimt immers ook de vrijgestelde bestaansmiddelen voor jongeren die genieten van een studiebeurs tussen 1 april en 31 mei 2020 en tijdens de coronacrisis inkomsten verwerven door tewerkstelling. De verworven netto-inkomsten worden pas in aanmerking genomen voor de berekening van de bestaansmiddelen onder aftrek van 177,76 euro per maand. Deze maatregel heeft retroactief uitwerking vanaf 1 mei 2020.
Bron:

Koninklijk besluit van 4 juni 2020 tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie, BS 12 juni 2020.

Koninklijk besluit van 23 april 2020 tot het tijdelijk versoepelen van de voorwaarden waaronder werklozen, al dan niet met bedrijfstoeslag, kunnen worden tewerkgesteld in vitale sectoren en tot het tijdelijk bevriezen van de degressiviteit van de volledige werkloosheidsuitkeringen, BS 29 april 2020.

Gepubliceerd op 17-06-2020

  191