Coronavirus COVID-19: De bezoldiging van Covid-19-arbeidsuren als student worden niet als bestaansmiddelen beschouwd voor de bepaling van kind ten laste

Om als ten laste van de belastingplichtige beschouwd te worden, moeten kinderen: 
  • deel uitmaken van het gezin op 1 januari van het jaar dat verwijst naar het aanslagjaar;
  • tijdens het voorafgaande jaar persoonlijk geen bestaansmiddelen hebben verkregen die hoger zijn dan een bepaald bedrag;
  • geen bezoldigingen hebben ontvangen die beroepskosten zijn voor de belastingplichtige.
Om het bedrag van de nettobestaansmiddelen vast te stellen (art. 143 W.I.B.92) moet sinds 2005 geen rekening meer gehouden worden met de bezoldigingen verkregen door een student, zoals bedoeld in Titel VII van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, tot een bedrag van 1.500 EUR per jaar (2.820 EUR voor het aanslagjaar 2021).

Om studenten de kans te geven te gaan werken in kritische sectoren, zoals de sector van de grootdistributie of de voedingssector, die momenteel grote nood hebben aan personeel, wordt er geen rekening gehouden met de gepresteerde arbeidsuren tijdens de tweede periode van vier maanden in 2020 om te bepalen of ze al dan niet het maximum van 475 uren overschrijden.
Om te vermijden dat studenten, als gevolg van deze bijkomende arbeidsprestaties, niet teveel nettobestaansmiddelen ontvangen om ten laste te kunnen blijven van hun ouders, voorziet een nieuwe wet dat geen rekening gehouden moet worden met vergoedingen die betrekking hebben op gepresteerde arbeidsuren door studenten tijdens de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020 voor de bepaling van bestaansmiddelen.
Voor vergoedingen met betrekking tot gepresteerde arbeidsuren door studenten, verricht buiten de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020, blijft de normale vrijstelling van de eerste schijf van 2.820 EUR van toepassing.
 
Bron:

Gepubliceerd op 12-06-2020

  186