Coronavirus COVID-19: 11,11% bedrijfsvoorheffing op tijdelijke aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen

Een KB van 9 juli 2020 legt de bedrijfsvoorheffing op de tijdelijke aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen vast op 11,11%.
Het KB past daarvoor de toepassingsregels voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing aan, die in de bijlage III van het KB/WIB 1992 staan.
In het kader van de Covid-19-pandemie kunnen werknemers met lage lonen, die vanaf 1 maart 2020 arbeidsongeschikt verklaard zijn, tijdelijk een aanvullende uitkering krijgen voor hun primaire arbeidsongeschiktheid (minder dan één jaar arbeidsongeschikt).
De wet van 24 juni 2020 trok de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor lage lonen tijdelijk op tot op het niveau van de tijdelijke werkloosheidsuitkeringen die omwille van de coronacrisis verhoogd werden. Ze voerde vanaf 1 maart 2020 een tijdelijke aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering in.

Tijdelijke aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering

Werknemers die:
  • verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst (of gelijkgesteld);
  • ten vroegste vanaf 1 maart 2020 arbeidsongeschikt verklaard zijn, en
  • een dagelijks brutoloon hebben van minder dan 132,9990 euro,
hebben recht op een aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Het dagbedrag van de primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt 60% van het dagelijks brutoloon van de werknemer.
Het dagbedrag van de aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering is vastgelegd op 10% van het brutodagloon van de werknemer, en wordt verhoogd met 5,63 euro.
Het totaalbedrag van de primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering en de aanvullende uitkering samen, mag niet meer bedragen dan 79,80 euro per dag, en mag niet minder bedragen dan 61,22 euro per dag.
De werknemer die aan alle voorwaarden voldoet, heeft recht op de aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de periode van zijn arbeidsongeschiktheid die loopt vanaf 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2020.

Bedrijfsvoorheffing

Op de wettelijke uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid moet in de regel 11,11% bedrijfsvoorheffing (BV) worden ingehouden.
Maar de netto-uitkering bij primaire arbeidsongeschiktheid mag niet onder een bepaald bedrag dalen als gevolg van de inhouding van de bedrijfsvoorheffing (zie nr. 2.12.B.1.b) van de toepassingsregels in bijlage III bij het KB/WIB 1992).
Deze laatste regel maakt de inhouding van de BV op de tijdelijke aanvullende primaire ongeschiktheidsuitkeringen erg complex en moeilijk implementeerbaar voor de uitkeringsinstellingen (ziekenfondsen).
Om de uitbetaling van deze uitkeringen niet in het gedrang te brengen door de complexiteit van de berekening van de BV, wordt deze regel vereenvoudigd en zal er ook 11,11% BV ingehouden worden op de tijdelijke aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, wanneer dat percentage in beginsel van toepassing is op de gewone uitkeringen.

Uitbetaling aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering

De uitkeringsinstelling (ziekenfonds) zal de aanvullende primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering uiterlijk op 1 november 2020 betalen.

In werking

Het KB van 9 juli 2020 heeft uitwerking vanaf 24 juni 2020.
Het is van toepassing op de aanvullende uitkeringen die vanaf 24 juni 2020 worden betaald of toegekend.
Bron:

Wet van 24 juni 2020 houdende toekenning van een tijdelijke aanvulling op de uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid, BS 2 juli 2020.

– Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, BS 13 september 1993 (KB/WIB 1992) (Bijlage III., nr. 2.12.B.1.b))

Gepubliceerd op 20-07-2020

  149