Brexitwet creëert beperkt uitstel tot 31 december 2020

Opt in? Opt out? Deal? No deal? Niemand weet nog hoe het zit met de Brexit. Ter uitvoering van de Europese afspraken van 13 december 2018 publiceert de federale overheid wel een Brexitwet, die een overgangsregime invoert. Dat overgangsregime loopt tot 31 december 2020.
Maar de Brexitwet is een ‘wet onder voorbehoud’. De wet zou alleen in werking treden als er geen akkoord gevonden wordt met de Britten. Vandaar dat de federale regering de datum van inwerkingtreding nog zal vastleggen. Bovendien krijgt diezelfde federale regering ruime bevoegdheden om de Brexitregels aan te passen als dat nodig zou zijn. We bekijken de op sociaalrechtelijk vlak relevante bepalingen.

Verblijfsrecht

Volgens het ontwerpakkoord dat de Britse premier Theresa May en de vertegenwoordigers van de overige EU-lidstaten sloten, zou er na de Brexit een overgangsperiode komen waarin het Europese recht grotendeels van toepassing zou blijven. Die overgangsperiode verstrijkt volgens de ‘deal’ op 31 december 2020.
Vandaar dat de Brexitwet zegt dat de Britten hun verblijfsrecht in ons land behouden en zij hun verblijfsdocumenten mogen verlengen tot 31 december 2020.
De wet geeft de federale regering de bevoegdheid om dat verblijfsrecht te wijzigen, aan te vullen, te vervangen en zelfs op te heffen. De regering mag de deadline van 31 december 2020 ook vervroegen.

Sociaal recht en sociale zekerheid

Jonge werknemers van buitenlandse afkomst tellen dubbel voor de startbaanverplichting. Dat blijft zo voor de Britse jongeren (en jongeren van Britse ouders of grootouders) die tot 31 december 2020 in dienst worden genomen met een startbaanovereenkomst.
Ook op sociaal zekerheidsvlak wordt het ‘Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland’ tot eind 2020 ‘beschouwd als een staat die deel uitmaakt van de Europese Unie’. Dat is zo voor de ziekteuitkeringen, vergoedingen voor een arbeidsongeval of beroepsziekte, werkloosheidsuitkeringen, pensioenen en andere prestaties.
Daar is wel een dubbele ‘maar’ aan verbonden. Ten eerste kan niemand een Belgische instelling verplichten om de sociale zekerheidsregels toe te passen als zij van haar Britse tegenhanger niet de nodige inlichtingen krijgt. De Belgische verzekeringsinstelling moet wel alle redelijke maatregelen genomen hebben om de Britse medewerking te krijgen en zij moet de sociaal verzekerde persoon op de hoogte gebracht hebben.
Ten tweede werkt het recht op sociale zekerheid volgens het wederkerigheidsprincipe. De federale regering krijgt dan ook de bevoegdheid om de Brexitwet aan te passen als de Belgische burgers in Groot-Brittannië niet meer dezelfde rechten krijgen als de Britten in ons land.

‘De Koning kan’

De koninklijke besluiten waarmee de federale regering de Brexitregels aanpast, moeten binnen de 6 maanden bekrachtigd worden bij wet. Op fiscaal vlak bedraagt die termijn 24 maanden. Daar kan de regering bovendien alle maatregelen nemen die nodig zijn voor een no-deal-Brexit of die een onmiddellijk ingrijpen vereisen. De Koning kan daartoe zelfs de fiscale wetboeken aanpassen.
En de Koning heeft nog meer werk voor de boeg. Hij moet ook nog de datum van inwerkingtreding van de Brexitwet vastleggen.
Bron:

Gepubliceerd op 12-04-2019

  121